Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1173

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
18-08-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 26 WAHV; art. 26a WAHV; art. 27 WAHV; kennisgeving van verhaal; Niet tijdig griffierecht betaald in hoger beroep. Tussen instellen en hoger beroep en het verzenden van de brief waarin mededeling wordt gedaan van de verschuldigdheid van een griffierecht is ruim 1 jaar en 4 maanden verstreken. Berechting in appel heeft zodanig lang geduurd dat beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden. Onder deze omstandigheden behoort aan de betrokkene niet te worden tegengeworpen, dat hij het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Hoger beroep derhalve ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26, geldigheid: 2003-07-02
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a, geldigheid: 2003-07-02
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 27, geldigheid: 2003-07-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 03/00361

2 juli 2003

CJIB 27203289

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Amsterdam

van 2 april 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden uitgevaardigde kennisgeving van verhaal. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij hoger beroep instelt tegen de beschikking van de kantonrechter in de zaak onder CJIBnr. 27293289 en dat hij niets te maken heeft met een zaak onder dat nummer. Uit de stukken blijkt, dat de kennisgeving van verhaal betrekking heeft op de zaak met CJIBnr. 27203289. Het verzetschrift van de betrokkene vermeldt eveneens dit nummer. De in de beschikking van de kantonrechter opgenomen gegevens omtrent het verzet stemmen overeen met hetgeen in genoemd verzetschrift en in de overige stukken met het CJIBnr. 27203289 is vermeld. De enkele vermelding door de kantonrechter in zijn beschikking van het CJIBnr. 27293289 berust gelet op het voorgaande op een vergissing en moet gelezen worden als CJIBnr. 27203289. Het hoger beroep van de betrokkene moet eveneens geacht worden betrekking te hebben op de zaak onder CJIBnr. 27203289, te meer nu de betrokkene in de nadere toelichting op het beroep inhoudelijk ingaat op de zaak onder CJIBnr. 27203289.

3.2. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat, nu uit telefonische informatie van de griffie van de rechtbank gebleken is dat de betrokkene eerst op 11 maart 2003 het verschuldigde griffierecht heeft voldaan, en derhalve niet binnen de door art. 26a, derde lid, WAHV gestelde termijn van twee weken na verzending van de mededeling van de griffier, gedateerd 31 januari 2003, de betrokkene niet in hoger beroep kan worden ontvangen.

3.3. Op grond van de niet weersproken informatie van de advocaat-generaal staat vast dat de betrokkene niet binnen de gestelde termijn het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit niet meebrengt dat de betrokkene niet in hoger beroep kan worden ontvangen, en wel op grond van het volgende.

3.4. In hoger beroep is de procedure als volgt verlopen.

De beschikking van de kantonrechter is op 31 augustus 2001 toegezonden aan de betrokkene, die op 11 september 2001 hoger beroep heeft ingesteld. Bij brief, ingekomen op 4 oktober 2001 ter griffie van het kantongerecht, heeft de betrokkene zijn hoger beroep aangevuld. Op 31 januari 2003 is door de griffier van de rechtbank aan de betrokkene een brief gezonden, houdende een ontvangstbevestiging van het ingestelde hoger beroep, met de mededeling dat op grond van een wettelijke bepaling dat griffierecht ad Euro€ 82,00 verschuldigd is, te betalen binnen twee weken na de dag van verzending van de brief door middel van de bijgevoegde acceptgiro dan wel door betaling ter griffie van de rechtbank.

Bij brief van 1 april 2003 heeft de griffier van de rechtbank de griffier van het gerechtshof bericht dat de betrokkene het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Voort heeft de griffier van de rechtbank op 1 april 2003 het dossier doorgezonden naar het gerechthof.

Bij brief van 4 april 2003 aan de betrokkene heeft de griffier van het gerechtshof de ontvangst van het beroepschrift bevestigd. Bij brief van dezelfde datum heeft de griffier van het gerechtshof de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.

Op 6 mei 2003 heeft de advocaat-generaal een verweerschrift ingediend. De griffier van het gerechtshof heeft op dezelfde datum de betrokkene een afschrift van het verweerschrift toegezonden en de betrokkene in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na dagtekening van het schrijven van de griffier schriftelijk een reactie te geven op het verweerschrift.

De betrokkene heeft op 21 mei 2003 schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is bij brief van de griffier van het gerechtshof van 21 mei 2003 in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3.5. De beslissing van de kantonrechter is gegeven op 2 april 2001. Eerst op 31 augustus 2001 is een afschrift naar de betrokkene gezonden. Nadat de betrokkene op 11 september 2001 tijdig hoger beroep had ingesteld is eerst bij brief van 31 januari 2003 de betrokkene gewezen op de verplichting op grond van het bepaalde in art. 26a WAHV griffierecht te voldoen.

3.6. Hetgeen hierboven onder 3.5 is overwogen brengt mee, dat, - gelet op het vereiste, dat in de verzetprocedure op korte termijn wordt beslist (vgl. Hof Leeuwarden, 5 december 2001, WAHV 01/00396, VR 2002/115) - , ten aanzien van de procedure in hoger beroep moet worden geoordeeld, dat de berechting in appel zodanig lang heeft geduurd, dat beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden, nu er geen bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen, die de lange duur kunnen rechtvaardigen. Dit zou evenzeer gelden in het geval de betrokkene tijdig het verschuldigde griffierecht had voldaan, gelet op de met het verdere verloop van de procedure gemoeide tijd. Onder deze omstandigheden behoort aan de betrokkene niet te worden tegengeworpen dat hij het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft voldaan. De betrokkene kan derhalve in zijn beroep worden ontvangen.

3.7. De hierboven beschreven lange duur van de berechting in hoger beroep brengt voorts mee, dat geoordeeld moet worden dat een verdere tenuitvoerlegging van het verhaal zonder dwangbevel in strijd zou komen met beginselen van behoorlijk bestuur. Het hof zal derhalve met vernietiging van de beschikking van de kantonrechter het verzet gegrond verklaren.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het ingestelde beroep gegrond;

bepaalt dat het door de betrokkene in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de rechtbank aan hem wordt gerestitueerd;

bepaalt dat hetgeen uit hoofde van voormeld verhaal door de betrokkene is betaald, te weten een bedrag van €Euro 39,71 (ƒ 87,50), door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd.