Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1104

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-08-2003
Datum publicatie
14-08-2003
Zaaknummer
BK 595/01 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is van mening dat de correctie inzake leningen c.q. negatieve kassen teniet moeten worden gedaan, aangezien het hier leningen c.q. giften van de vader van belanghebbende, de heer C, betreft.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/12.1.1
FutD 2003-1512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 595/01 12 augustus 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de Belastingdienst te Leeuwarden (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de haar voor het jaar 1999 in de omzetbelasting opgelegde naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende is op 26 juli 2000 een naheffingsaanslag, met als aanslagnummer 000.00.000.F.01.9501, opgelegd van ƒ 9.159,-- aan enkelvoudige belasting. Naar aanleiding van het tegen deze aanslag ingediende bezwaarschrift heeft een tweede boekenonderzoek plaatsgevonden, waarna de inspecteur d.d. 5 december 2000 een naheffingsaanslag, met als aanslagnummer 000.00.000.F.01.9502, aan belanghebbende heeft opgelegd ten bedrage van ƒ 1.705,--. Tegen deze aanslag heeft belanghebbende eveneens een bezwaarschrift ingediend. Bij de uitspraken waarvan beroep, beide gedagtekend 17 augustus 2001, heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen wegens "leningen c.q. negatieve kassen" gehandhaafd en de bezwaren daartegen van belanghebbende ongegrond verklaard. Het beroepschrift (met bijlagen) tegen beide uitspraken op bezwaar is op 21 augustus 2001 ter griffie ingekomen. De inspecteur heeft op 14 december 2001 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak door de tweede enkelvoudige kamer, gehouden te Leeuwarden, op 26 februari 2002 is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal - en dat aan partijen is verzonden- door de voorzitter geschorst, nadat was geconstateerd dat belanghebbende de oproeping voor de zitting wellicht niet zou hebben ontvangen. Namens belanghebbende zijn bij brieven van respectievelijk 18 maart 2002, 25 maart 2002 en 22 mei 2002 (met bijlagen) nog aanvullingen gegeven op het beroepschrift. De voortzetting van de mondelinge behandeling van de zaak heeft vervolgens plaatsgevonden op 28 april 2003, alwaar namens belanghebbende is verschenen de heer A, de echtgenoot van belanghebbende, en tevens is verschenen de inspecteur. Het hof heeft op 12 mei 2003 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn per aangetekende post op 26 mei 2003 aan partijen verzonden. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 18 juni 2003 is bij het hof een verzoek van belanghebbende ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het door belanghebbende verschuldigde griffierecht is op 3 juli 2003 voldaan.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.1 Belanghebbende, handelende onder de naam B, is als ondernemer belastingplichtig in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting (: de Wet) en dreef gedurende het jaar 1999 een winkel in kledingstoffen, hobbyartikelen en fournituren.

2.2 De inspecteur heeft bij de onderneming een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is op 26 juli 2000 een naheffingsaanslag opgelegd van ƒ 9.159,-- aan enkelvoudige belasting (voor vermindering na bezwaar). In deze naheffingsaanslag zat onder andere een correctie omzetbelasting begrepen van ƒ 3.767,-- in verband met een negatieve kas van ƒ 5.296,-- en wegens volgens de inspecteur niet onderbouwde ontvangen geldleningen van ƒ 20.000,--. Naar aanleiding van het bezwaarschrift tegen deze naheffingsaanslag heeft een tweede boekenonderzoek plaatsgevonden. Tijdens dit tweede onderzoek heeft de inspecteur een grootste negatieve kas van ƒ 16.745, -- geconstateerd. Gelet op het bij het eerste onderzoek reeds geconstateerde bedrag van ƒ 5.296,--, heeft de inspecteur bij aanslag van 5 december 2000 wegens correctie ƒ 11.449,-- x 17,5/117,5 = ƒ 1.705,-- nageheven van belanghebbende. Tegen deze aanslag heeft belanghebbende eveneens een bezwaarschrift ingediend. Bij de uitspraak op bezwaarschrift heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen wegens "leningen c.q. negatieve kassen" gehandhaafd en de bezwaren van belanghebbende daartegen ongegrond verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 Belanghebbende is van mening dat de correctie inzake leningen c.q. negatieve kassen teniet moeten worden gedaan, aangezien het hier leningen c.q. giften van de vader van belanghebbende, de heer C, betreft.

3.2 De inspecteur blijft van mening dat beide correcties van in totaal ƒ 36.750,-- gehandhaafd moeten blijven, omdat belanghebbende haar stelling dat het hier in het kasboek geboekte leningen c.q. giften van haar vader betreft niet kan onderbouwen met schriftelijke bewijsstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1 Partijen hebben met betrekking tot de aanslag omzetbelasting 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 dezelfde rechtsvraag aan het hof voorgelegd. Het hof heeft in die zaak, met als reg. nr. BK 380/00, op 24 april 2001 mondeling uitspraak gedaan. In navolging van die eerdere uitspraak overweegt het hof thans wederom dat als door belanghebbende wordt gesteld dat de door de inspecteur uitgevoerde correcties op eerdere aanslagen van in totaal ƒ 36.750,-- als lening dan wel giften moeten worden aangemerkt, het op de weg van belanghebbende ligt om het bestaan van een dergelijke lening en/of schenking aannemelijk te maken, dan wel een verklaring te geven, omtrent de herkomst van dit bedrag in die zin dat dit bedrag niet is aan te merken als een verzwegen opbrengst uit die onderneming.

4.2 Het hof is ook thans van oordeel dat het door belanghebbende overgelegde leningenoverzicht van 5 juni 2000 niet kan dienen als bewijsstuk voor verkregen leningen van ƒ 20.000,--. Op deze verklaring ontbreekt immers de handtekening van de vader van belanghebbende. Aan de door belanghebbende overgelegde brief d.d. 14 juli 2001 kan evenmin bewijskracht worden toegekend. Belanghebbende heeft met deze brief willen aantonen dat de aanslag ten onrechte met het bedrag van ƒ 16.750,-- is gecorrigeerd, aangezien ook dit bedrag ziet op van haar vader ontvangen geldleningen. Deze brief is eveneens niet voorzien van een handtekening van de vader van belanghebbende en ook anderszins blijkt niet dat de vader van belanghebbende de betreffende leningen heeft verstrekt. Het hof trekt uit het vorenstaande dan ook de conclusie dat zolang belanghebbende niet een verklaring van de vader van belanghebbende overlegt, waaruit ondubbelzinnig blijkt dat het hier gaat om aan zijn dochter verstrekte geldleningen, belanghebbende naar het oordeel van het hof niet geslaagd is in haar onder punt 2.1 omschreven bewijslast. Dat de echtgenoot van belanghebbende ter zitting heeft aangegeven dat zijn schoonvader niet bereid is een dergelijke verklaring af te geven, acht het hof ongeloofwaardig, maar ontslaat belanghebbende bovendien niet van haar bewijslast in dezen. Het hof stelt dan ook vast dat belanghebbende, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen verklaring heeft kunnen geven voor de herkomst van het bedrag van in totaal ƒ 36.750,--. Naar het oordeel van het hof moet dit bedrag dan ook worden aangemerkt als een verzwegen opbrengst uit die onderneming, zodat de inspecteur terecht over dit bedrag alsnog onderhavige aanslagen omzetbelasting heeft opgelegd.

5. De conclusie

Gelet op het vorenstaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

6. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 12 augustus 2003 door mr. Pruiksma, vice-president, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

De griffier lid van deze kamer

mr. J. de Jong mr. H.S. Pruiksma

Afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen op: 14 augustus 2003

De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden.