Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1097

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 21 RVV 1990; maximumsnelheid; Overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen bij wegwerkzaamheden. Voor een gedraging als de onderhavige is niet vereist dat er ten tijde van de gedraging ook daadwerkelijk werd gewerkt. Zolang een snelheidsbeperking niet door bord A1 (einde maximumsnelheid) of F8 (einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden) is opgeheven, blijft deze snelheidsbeperking van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00398

25 juni 2003

CJIB 89052065305

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Maastricht

van 13 maart 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 80,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen, wegwerkzaamheden (bord A1) meer dan 10 km/h en t/m 15 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 26 mei 2002 op de Rijksweg A76 in de gemeente Nuth.

3.2. Betrokkene heeft erkend de gedraging te hebben verricht. Hij stelt dat hij, bij het in de verte zien van borden die een beëindiging van de geldende snelheidsbeperking inhielden, zijn snelheid alvast verhoogde, omdat op de betreffende autosnelweg een maximumsnelheid van 120 km/h geldt. Ook stelt de betrokkene dat op het moment waarop de gedraging werd verricht, geen werk aan de weg werd uitgevoerd terwijl voorts de lokatie van die wegwerkzaamheden bij de lokatie waar de gedraging is verricht reeds lang was gepasseerd. Er waren volgens de betrokkene geen gevaarscheppende elementen.

3.3. Het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht bevat als toelichting van de verbalisant, voor zover hier van belang:

" Gemeten radarsnelheid : 106

Geconstateerde/gecorrigeerde snelheid : 102

Toegestane snelheid : 090

Overschrijding met : 012

Er waren wel wegwerkzaamheden. Er werd niet gewerkt. Er waren wel gevaarscheppende elementen".

3.4. Op grond van het hiervoor overwogene is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat voormelde gedraging is verricht.

3.5. De opmerking van de betrokkene, dat ten tijde van de gedraging geen werkzaamheden werden verricht, levert geen omstandigheid op, die oplegging van een sanctie niet billijkt of tot een lager bedrag van de sanctie moet leiden. Voor een gedraging als de onderhavige is niet vereist dat er ten tijde van de gedraging ook daadwerkelijk werd gewerkt (vergelijk HR 12 mei 1998, VR 1998/162).

3.6. De opmerking van de betrokkene dat hij alvast zijn snelheid verhoogde, omdat hij in de verte het bord zag waarmee het einde van de snelheidsbeperking werd aangegeven, treft geen doel nu de betrokkene had kunnen en moeten begrijpen dat de geldende snelheidsbeperking op grond van bord A1 nog niet was opgeheven. Immers, zolang deze snelheids-beperking niet door bord A2 (einde maximumsnelheid) of F8 (einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden) is opgeheven, blijft deze snelheidsbeperking van toepassing. Na het punt waarop op een autosnelweg door middel van een bord een snelheidsbeperking wordt opgeheven, is een maximale snelheid van 120 km/h toegestaan. Er bestaat geenszins een verplichting deze snelheid vanaf dat punt ook daadwerkelijk te rijden, zodat daarin niet een aanleiding kan worden gevonden op de opheffing van een snelheidsbeperking te anticiperen.

3.7. Aangezien het hof ook overigens geen aanleiding ziet om de sanctie op nihil te stellen dan wel te matigen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van Meester als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.