Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1057

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00232
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 11 WAHV; zekerheidstelling; Het enkele feit dat zekerheid moet worden gesteld voor de betaling van de sanctie alvorens de rechter de zaak inhoudelijk kan beoordelen, kan niet tot de conclusie dat bij de beoordelende rechter sprake is van een vooringenomenheid ten aanzien van de aan hem voorgelegde zaak, welke aan een juist oordeel in die zaak in de weg kan staan, zodat geen sprake is van schending van art. 6, eerste lid, EVRM. Verder is zekerheidstelling niet in strijd met het in art. 6, tweede lid, EVRM vervatte vermoeden van onschuld.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00232

20 juni 2003

CJIB 39051246259

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 27 januari 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 6 juni 2003. De betrokkene is vertegenwoordigd door haar directeur M. Klijn. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. N.D.P. van der Hoek.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat het stellen van zekerheid voor de betaling van de opgelegde sanctie in strijd is met art. 6 EVRM. Hiertoe voert de betrokkene aan, dat elke burger recht heeft op onpartijdige rechtspraak en dat van onpartijdige rechtspraak geen sprake meer kan zijn, nu vooraf de boete als zekerheidstelling moet worden voldaan.

3.3. Het enkele feit dat zekerheid moet worden gesteld voor de betaling van de sanctie alvorens de rechter de zaak inhoudelijk kan beoordelen, kan niet tot het conclusie leiden dat bij de oordelende rechter sprake is van een vooringenomenheid ten aanzien van de aan hem voorgelegde zaak, welke aan een juist oordeel in die zaak in de weg kan staan, zodat geen sprake is van schending van art. 6, eerste lid, EVRM. Het hof wijst in dit verband tevens op het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 november 1993 (NJ 1994, 198) geoordeeld, dat de verplichting tot het op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep stellen van zekerheid niet in strijd is met het in art. 6, tweede lid, EVRM vervatte vermoeden van onschuld. De Hoge Raad overwoog daartoe, dat de verplichting tot zekerheidstelling niet vooruit loopt op de door de rechter te beantwoorden vraag of een betrokkene een gedraging in de zin van de WAHV heeft verricht en dat deze verplichting tot zekerheidstelling evenmin de verdedigingsmogelijkheden beperkt waarover een betrokkene kan beschikken.

3.4. Nu de betrokkene geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat in dit geval sprake is van partijdige rechtspraak en dat ook overigens daarvan niet is gebleken, treft het verweer geen doel.

3.5. De betrokkene voert verder aan, dat het stellen van zekerheid in strijd is met de Grondwet. Ingevolge art. 120 Gw treedt de rechter echter niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten.

3.6. Gelet op het voorgaande, alsmede in aanmerking genomen dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Derhalve kan het hof niet ingaan op de inhoudelijk door de betrokkene gevoerde verweren.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Poelman, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.