Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI0991

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
WAHV 03/00461
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 11 WAHV; zekerheidstelling; De WAHV kent voor de voldoening aan de zekerheidsverplichting niet een regeling van termijnbetaling. Indien de betrokkene echter binnen de hem voor het stellen van zekerheid gegunde termijn met redenen omkleed aanvoert dat van hem in verband met zijn financieel onvermogen in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2003-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 03/00461

9 juli 2003

CJIB 19049065442

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Dordrecht

van 11 maart 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene

toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem mededeelt dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Uit het voorgaande volgt dat aan de verplichting tot zekerheid slechts kan worden voldaan door betaling van het volledige (in het voorkomende geval door de officier van justitie verminderde) bedrag van de sanctie binnen de aan de betrokkene gestelde termijn. De WAHV kent voor de voldoening aan de zekerheidsverplichting niet een regeling van termijnbetaling.

3.3. Indien een betrokkene echter binnen de hem voor het stellen van zekerheid gegunde termijn met redenen omkleed aanvoert dat van hem in verband met zijn financieel onvermogen in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare terechtzitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

3.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededeling omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 5 september 2002 van de officier van justitie aan de betrokkene. Bij brief van 4 oktober 2002 is zij nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van deze brief aan de verplichting tot zekerheidstelling voor de betaling van de opgelegde sanctie ad € Euro 132,- te voldoen.

3.5. Het hof is - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat voormelde brief van 4 oktober 2002 voldoet aan de hiervoor vermelde eisen aan een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV.

3.6. De betrokkene heeft in haar beroepschrift bij de officier van justitie verzocht het bedrag aan zekerheid in 3 termijnen te mogen betalen omdat betaling in 1 keer in verband met haar maandelijkse lasten niet mogelijk is. Niet gesteld, noch gebleken is dat haar daartoe toestemming is verleend. De betrokkene stelt in haar hoger beroepschrift dat zij het bedrag aan zekerheid tijdig heeft betaald. Ter staving van haar stelling heeft de betrokkene bij haar hoger beroepschrift onder meer drie bankafschriften gevoegd, waaruit blijkt dat op 4 november 2002 €Euro 40,-, op 11 december 2002 Euro€ 40,- en op 30 december 2002 Euro€ 52,- is overgemaakt op de rekening van het CJIB.

3.7. De betrokkene is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter d.d. 11 maart 2003, doch is, hoewel daartoe niet verplicht, aldaar niet verschenen.

3.8. Nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid aan de verplichting tot zekerheidstelling te voldoen door middel van betaling in termijnen, de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid ter zitting toe te lichten waarom de gevraagde zekerheidstelling tot het volle bedrag in verband met financiëel onvermogen niet van haar kon worden gevergd en zij de zekerheid niet binnen de haar laatstelijk in de brief van 4 oktober 2002 gestelde termijn van twee weken heeft voldaan heeft de kantonrechter de betrokkene terecht niet-ontvankelijk in het beroep verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.