Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI0866

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
07-08-2003
Zaaknummer
Rolnummer 0300051
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt voorop dat op grond van de in eerste aanleg (bij conclusie van antwoord) overgelegde statuten, welke naar onweersproken is gesteld de rechtsverhouding tussen partijen beheersen, de conclusie kan worden getrokken dat geen sprake is van een verzekering als bedoeld in artikel 246 e.v. Wetboek van Koophandel. De voor een verzekering vereiste polis, welke voldoet aan de daaraan krachtens artikel 256 Wetboek van Koophandel te stellen eisen, ontbreekt. Het hof tekent daarbij aan dat de Erven, gelet op de hoogte van de jaarlijks door de erflater [erflater] betaalde contributie (in 2001 hfl. 25,--), ook in redelijkheid niet konden en mochten verwachten dat een begrafenis of crematie welke niet door de Uitvaartvereniging zelf zou worden verzorgd, integraal zou worden vergoed. Waar de Uitvaartvereniging geen winstoogmerk heeft (zie artikel 3 van de Statuten) en waar het zeker is dat alle leden vroeg of laat aanspraak zullen maken op de rechten die uit het lidmaatschap van de Uitvaartvereniging voortvloeien {een door de Uitvaartvereniging te verzorgen uitvaart, dan wel het (gedeeltelijk) vergoeden van de kosten van die uitvaart} is het duidelijk dat bij een contributie in de omvang van hfl 25,-- per jaar een integrale vergoeding van een door derden verzorgde uitvaart of crematie financiëel volstrekt onhaalbaar is voor de Uitvaartvereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 augustus 2003

Rolnummer 0300051

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: de Erven,

procureur: mr P.H. Redeker,

tegen

Uitvaartvereniging "De Laatste Eer",

gevestigd en kantoorhoudende te Marum,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de Uitvaartvereniging,

procureur: mr P.R. van den Elst.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 17 oktober 2002 door de sector kanton van de rechtbank te Groningen, verder aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 januari 2003 is door de Erven hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de Uitvaartvereniging tegen de zitting van 5 februari 2003.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende geïntimeerde voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan eisers tegen bewijs van kwijting te voldoen:

primair: de somma van

a. hoofdsom Euro 3.909,25 (zegge: drieduizend negenhonderdnegen Euro en vijfentwintig eurocent)

b. buitengerechtelijke incassokosten Euro 583,41 (zegge: vijfhonderddrieentachtig Euro en éénen veertig eurocent)

subsidiair: de somma van

a. hoofdsom Euro 1.044,61 (zegge: duizendvierenveertig Euro en ééenveertig eurocent)

b. buitengerechtelijke incassokosten Euro 224,80 (zegge: tweehonderdvierentwintig Euro en tachtig eurocent)

alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2001 tot en met de dag der algehele voldoening en met veroordeling tot betaling van de kosten van deze procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door de Uitvaartvereniging verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de Wet zulks toelaat, het vonnis van de Rechtbank Groningen, sector Kanton, locatie Groningen, waarvan beroep, te bekrachtigen met veroordeling van appellanten in de kosten van beide instanties."

Voorts hebben beide partijen een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

De Erven hebben vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1 (1.1 t/m 1.6) van het beroepen vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

2. Het hof stelt voorop dat op grond van de in eerste aanleg (bij conclusie van antwoord) overgelegde statuten, welke naar onweersproken is gesteld de rechtsverhouding tussen partijen beheersen, de conclusie kan worden getrokken dat geen sprake is van een verzekering als bedoeld in artikel 246 e.v. Wetboek van Koophandel. De voor een verzekering vereiste polis, welke voldoet aan de daaraan krachtens artikel 256 Wetboek van Koophandel te stellen eisen, ontbreekt. Het hof tekent daarbij aan dat de Erven, gelet op de hoogte van de jaarlijks door de erflater [erflater] betaalde contributie (in 2001 hfl. 25,--), ook in redelijkheid niet konden en mochten verwachten dat een begrafenis of crematie welke niet door de Uitvaartvereniging zelf zou worden verzorgd, integraal zou worden vergoed. Waar de Uitvaartvereniging geen winstoogmerk heeft (zie artikel 3 van de Statuten) en waar het zeker is dat alle leden vroeg of laat aanspraak zullen maken op de rechten die uit het lidmaatschap van de Uitvaartvereniging voortvloeien {een door de Uitvaartvereniging te verzorgen uitvaart, dan wel het (gedeeltelijk) vergoeden van de kosten van die uitvaart} is het duidelijk dat bij een contributie in de omvang van hfl 25,-- per jaar een integrale vergoeding van een door derden verzorgde uitvaart of crematie financiëel volstrekt onhaalbaar is voor de Uitvaartvereniging.

Met betrekking tot de grieven I en II:

3. De grieven bestrijden niet dat de kantonrechter onder 3.2 van het beroepen vonnis de juiste maatstaf heeft aangelegd voor de uitleg van hetgeen tussen partijen is overeengekomen, zoals blijkt uit de overgelegde statuten.

4. De Erven betogen dat de kantonrechter ten onrechte uit artikel 9.1 van de statuten heeft afgeleid dat de Erven in beginsel geen aanspraak kunnen maken op algehele vergoeding van de door hen gemaakte kosten.

5. Het hof kan de Erven in dat betoog niet volgen. De tussenvoeging van het woord "(gedeeltelijk)" in artikel 9.1 impliceert dat integrale vergoeding van alle kosten niet de norm is. Artikel 9.2 van de statuten verwijst voor een verdere uitleg van wat "onder verzorging van een uitvaart" als bedoeld in artikel 9.1 moet worden begrepen naar het huishoudelijk reglement. Dat reglement bepaalt onder artikel 14 dat ingeval de begrafenis of crematie buiten het werkgebied van de vereniging plaatsvindt, de nabestaanden recht hebben op de kosten welke een normale uitvaart in het verzorgingsgebied van de vereniging kost. Hetgeen de kantonrechter dienaangaande onder 3.4 van het beroepen vonnis heeft overwogen, wordt door het hof, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen, volledig onderschreven en overgenomen.

6. Dat aan de Erven de keuze was om de uitvaart te laten verzorgen door de Uitvaartvereniging, dan wel door een derde, in welk laatste geval zij een (gedeeltelijke) vergoeding van de kosten zouden ontvangen, ligt besloten in de bewoordingen van artikel 9.1 van de statuten en van artikel 14 van het huishoudelijk reglement. Dat de Erven bepalen waar een begrafenis of crematie plaats vindt is evident. Dat de Erven de uitvaart door de Uitvaartvereniging konden laten verzorgen vloeit voort uit het lidmaatschap van wijlen [erflater] van de Uitvaartvereniging. Dat - zoals de Erven stellen - de Uitvaartvereniging bij monde van [woordvoerder van de uitvaartvereniging] in een telefoongesprek [woordvoerder van de erven] voor een voldongen feit zou hebben geplaatst (hetgeen slechts kan betekenen dat de Uitvaartvereniging zou hebben bepaald dat de uitvaart elders zou moeten plaatsvinden, tegen een vergoeding van hfl. 1.000,--) is derhalve dusdanig onwaarschijnlijk, dat het hof aan de verschillende lezing die partijen geven met betrekking tot de inhoud van bedoeld telefoongesprek verder voorbij zal gaan.

7. De grieven snijden geen hout.

Met betrekking tot grief III:

8. De grief is een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is gesteld met betrekking tot de niet rechtsgeldigheid van de vaststelling van het bedrag groot hfl 1.000,-- als het bedrag dat "een normale uitvaart in het verzorgingsgebied van de vereniging kost"(zie artikel 14 huishoudelijk reglement). De kantonrechter heeft de desbetreffende stelling onder 3.6 van het beroepen vonnis gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft die overweging en neemt die hierbij over.

Het hof voegt daaraan het volgende toe.

Uit de statuten (zie met name artikel 17) of het huishoudelijk reglement van de Uitvaartvereniging vloeit niet zonder meer voort dat een beslissing als de onderhavige door de algemene ledenvergadering moet worden genomen. Nu niet is gesteld of gebleken dat terzake van de hoogte van bedoeld bedrag ooit een besluit door de algemene ledenvergadering van de Uitvaartvereniging is genomen en het bestuur van de Uitvaartvereniging desalniettemin tot vaststelling en uitkering van dergelijke vergoedingen is overgegaan, moet het ervoor worden gehouden dat de leden van de Uitvaartvereniging (al dan niet stilzwijgend) met de besluitvorming terzake door het bestuur van de Uitvaartvereniging hebben ingestemd.

9. De grief faalt.

Met betrekking tot grief IV:

10. De grief mist zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen aparte behandeling.

De slotsom.

11. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van de Erven als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de Erven in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de Uitvaartvereniging tot aan deze uitspraak op Euro 205,-- aan verschotten en Euro 545,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest, voor wat de kostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 6 augustus 2003.