Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI0839

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
BK 251/01 WAZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de correctie inzake privé-gebruik auto terecht heeft aangebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 1, geldigheid: 2003-07-23
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 71, geldigheid: 2003-07-23
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 72, geldigheid: 2003-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1486

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 251/01 23 juli 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen aangeslagen naar een premie inkomen Waz als bedoeld in de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (tekst 1998; hierna te noemen: de Waz) van f 84.000,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 februari 2001 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 3 april 2001 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 24 april 2001 (met bijlagen).

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 23 april 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende, geboren op . augustus 19.. en gehuwd, is enig aandeelhouder en directeur van A B.V. (: de BV). Hij ontving van de BV in 1998 een salaris van f 79.028,-. Bovendien is hem in verband met het verrichten van werkzaamheden als directeur een auto ter beschikking gesteld. Belanghebbende staat niet in een dienstbetrekking in de zin van de WAO tot de BV.

2.3 In de aangifte voor het premie-inkomen Waz is het privé-gebruik auto niet aangegeven. Bij de vaststelling van het premie-inkomen Waz heeft de inspecteur een correctie van f 8.984,- ter zake hiervan aangebracht en het premie-inkomen Waz vastgesteld op het maximale bedrag van f 84.000,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de correctie inzake privé-gebruik auto terecht heeft aangebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daar geen argumenten aan toegevoegd.

3.3 Belanghebbende concludeert tot verlaging van de aanslag met

f 639,- tot een bedrag van f 3.706,-.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Waz geeft aan dat met dienstbetrekking wordt bedoeld een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (: WAO). Vaststaat dat belanghebbende niet in een dienstbetrekking in de zin van de WAO tot de BV staat.

4.2 Belanghebbende is gelet op het onder 2.2 vermelde aan te merken als beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 5 van de Waz. Gelet op artikel 3, lid 1, onder b, van de Waz moet hij als verzekerde voor de Waz aangemerkt worden.

4.3 Ingevolge artikel 71, eerste lid, van de Waz is belanghebbende premie verschuldigd over zijn premie-inkomen.

Volgens artikel 72, eerste lid, van de Waz maken van het premie-inkomen deel uit de zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid verstaan andere dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid nadat deze zijn verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid.

4.4 Artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Waz verwijst voor de inhoud van het begrip "inkomsten uit tegenwoordige arbeid" naar het begrip inkomsten uit tegenwoordige arbeid in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet IB). De inkomsten uit arbeid in de vorm van een ter beschikking gestelde personenauto, zoals bepaald in artikel 42, derde lid, van de Wet IB, behoren mitsdien tot de heffingsgrondslag van de Waz.

4.5 Belanghebbende voert aan dat bij de WAO het privé-gebruik auto niet tot de heffingsgrondslag behoort en dat deze systematiek ook moet gelden voor de Waz, omdat anders sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Hierbij merkt het hof op dat beide wetten weliswaar betrekking hebben op het verzekeren van het risico van inkomensderving ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, maar dat zij toch een geheel verschillende invulling hebben gekregen. Dit verschil mag door de wetgever worden gemaakt zonder dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

4.6 Het beroep van belanghebbende op dezelfde behandeling als van een ondernemer in de zin van artikel 6 van de Wet IB is niet meer actueel gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 2002,

nr. 36 867, BNB 2002/143*, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het autokostenforfait als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet IB tot de heffingsgrondslag van de Waz voor deze ondernemer behoort.

4.7 Volgens belanghebbende moet voorts in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 14 april 1997, nr. DB97/747 in onderdeel 2 sub e een toezegging worden gelezen dat het privé-gebruik auto niet tot de heffingsgrondslag voor de Waz behoort. Het hof leest dit er echter niet in. Het gaat daar over de gebruikelijk-loonregeling en niet over het onderhavige geschil en bovendien heeft de gebruikelijk-loonregeling in de onderhavige casus in het geheel geen rol gespeeld. In haar pleitnota heeft de inspecteur het voor het eerst over het gebruikelijk loon.

4.8 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 23 juli 2003 door Prof. mr. E. Aardema, vice-president en voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. H.H.A. Fransen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 30 juli 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.