Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI0507

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

art. 14 WAHV; art. 6 EVRM; hoogte sanctie; Doorbreking van het appelverbod van art. 14 WAHV, nu de zaak door de kantonrechter is berecht zonder dat acht is geslagen op de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. In casu is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die kunne rechtvaardigen dat niet binnen twee jaar na verzending ervan op de inleidende beschikking is beslist. De kantonrechter heeft niet beslist op het verzoek om een proceskostenveroordeling. De beslissing van de kantonrechter moet daarom worden aangemerkt als een tussenbeslissing. Voor een kostenveroordeling ter zake van de procedure in eerste aanleg bestaat geen aanleg.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a, geldigheid: 2003-05-21
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2003-05-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 89

Uitspraak

WAHV 03/00006

21 mei 2003

CJIB 34751083

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Haarlem

van 8 november 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem bij beslissing van 8 augustus 2002 ongegrond verklaard. Bij beslissing van 8 november 2002 is het verzoek van de betrokkene om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten afgewezen. De beslissingen van de kantonrechter zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van 8 november 2002 van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep overweegt het hof in de eerste plaats, dat de beslissing van de kantonrechter van 8 augustus 2002 moet worden aangemerkt als een tussenbeslissing, nu niet op het verzoek om een kostenvergoeding is beslist (vgl. HR 22 februari 2000, VR 2000,147). Het op 20 november 2002 ter griffie van de rechtbank binnengekomen hoger beroepschrift is, nu de kantonrechter op 8 november 2002 over de proceskosten heeft beslist, tijdig ingediend.

3.2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 60,-- (Euro€ 27,23) opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel); tot en met 10 km per uur", welke gedraging zou zijn verricht op 3 juni 2000 op de Geul te IJmuiden.

3.3. In hoger beroep klaagt de betrokkene er - onder meer - over, dat de kantonrechter heeft gehandeld in strijd met het in art. 6, eerste lid EVRM gestelde recht op berechting binnen een redelijke termijn.

3.4. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling, zoals van het recht op berechting binnen redelijke termijn, en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid , WAHV gewettigd is.

3.5. Nu de opgelegde sanctie fl 60,-- bedraagt en de gemachtigde van de betrokkene erover klaagt dat de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, dient het hof, gelet op het in 3.3 overwogene, te onderzoeken of de zaak in eerste aanleg is berecht zonder dat acht is geslagen op de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.6. Het hof heeft in bestendige rechtspraak geoordeeld, dat indien sinds de kennisgeving van de inleidende beschikking of - bij bekeuring op kenteken - sinds de verzending van de inleidende beschikking meer dan twee jaar is verlopen zonder dat de rechter tot een definitieve beslissing is gekomen over de inleidende beschikking, de zaak niet is behandeld binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, - behoudens bijzondere omstandigheden die een zo lang tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Het hof heeft aan de vaststelling, dat de redelijke termijn is overschreden het gevolg verbonden, dat de inleidende beschikking wordt vernietigd.

3.7. In de onderhavige zaak is de inleidende beschikking verzonden op 8 juli 2000. Bij de beslissing aangetekend in het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting d.d. 8 augustus 2002 is door de kantonrechter definitief over de inleidende beschikking beslist. De aantekening van de beslissing in het proces-verbaal bevat geen overweging omtrent bijzondere omstandigheden, die de overschrijding van de termijn van twee jaar naar het oordeel van de kantonrechter zouden rechtvaardigen. Het hof dient er derhalve van uit te gaan, dat dergelijke omstandigheden door de kantonrechter niet zijn vastgesteld.

3.8. Bij de beoordeling of de zaak is berecht binnen een redelijke termijn stelt het hof vast, dat uit het dossier niet blijkt van bijzondere omstandigheden die kunnen rechtvaardigen, dat niet binnen twee jaar na verzending ervan op de inleidende beschikking is beslist. Dit brengt met zich mee, dat de betrokkene in het hoger beroep dient te worden ontvangen en dat met vernietiging van de beslissingen van de kantonrechter dient te worden beslist als in het dictum van dit arrest nader aangegeven.

3.9. Namens de betrokkene is verzocht de advocaat-generaal te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, met name in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht en om de officier van justitie te veroordelen in de kosten van het beroep bij de rechtbank.

3.10. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking, berekend als volgt: voor het hoger beroepschrift 1 punt; voor de nadere toelichting op het beroep 0,5 punt; totaal 1,5 punt met toepassing van de wegingsfactor 0,5 (licht). Het hof zal derhalve de advocaat-generaal veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van (1,5 x Euro€ 322 x 0,5 =) Euro€ 241,50. Voor een kostenveroordeling ter zake van de procedure in eerste aanleg bestaat geen aanleiding.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 14 oktober 2000, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 34751083 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat een bedrag van Euro€ 27,23 door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd, welk bedrag overeenkomt met een bedrag van f 60,-- dat door hem op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld.

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van €Euro 241,50.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.