Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI0505

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00228
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

art. 13a WAHV; art. 14 WAHV; hoogte sanctie; De betrokkene is veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van uro 25. De betrokkene voert aan dat het dreigen met of het opleggen van een proceskostenveroordeling te zijnen laste een belemmering is in de vrije toegang tot de rechter, hetgeen in strijd is met art. 6 EVRM. De regeling van art. 13a WAHV kan naar het oordeel van het hof niet wortden opgevat als een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Ook overigens is er geen schending van op grond van internationale verdragen bestaande rechten. Voor doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV is geen plaats.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a, geldigheid: 2003-05-21
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2003-05-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 160

Uitspraak

WAHV 03/00228

21 mei 2003

CJIB 39045442632

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Haarlem

van 8 januari 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter de betrokkene veroordeeld in de kosten als bedoeld in art. 13a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, ten behoeve van de officier van justitie, tot een bedrag van €Euro 25,--. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (gedragsregel); tot en met 10 km per uur", welke gedraging zou zijn verricht op 17 juli 2001 te 14.13 uur op de Rijksweg A9 Westbaan in de gemeente Uitgeest. De opgelegde sanctie bedraagt fl 60,-- (Euro€ 27,23).

3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan Euro€ 70,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 60,-- (€ Euro 27,23).

3.3. De betrokkene voert aan dat in het bepaalde in art. 6 EVRM, art. 13 EVRM en art. 2, eerste lid van het zevende protocol bij het EVRM grond kan worden gevonden het appelverbod te doorbreken en hem in zijn hoger beroep te ontvangen nu de kantonrechter naast de ongegrondverklaring van zijn beroep tevens een kostenveroordeling te zijnen laste heeft uitgeproken. Het dreigen met of het opleggen van een proceskostenveroordeling is volgens de betrokkene een belemmering in de vrije toegang tot de rechter zodat dit strijd met het bepaalde in art. 6 EVRM oplevert.

3.4. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid , WAHV gewettigd is.

3.5. Het hof overweegt in dit verband het volgende. De wet voorziet in art. 13a WAHV in de bevoegdheid van de kantonrechter een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het kantongerecht redelijkerwijs heeft moeten maken. De derde volzin van het eerste lid van die bepaling houdt in, dat een natuurlijke persoon slechts in de kosten kan worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Deze regeling kan naar het oordeel van het hof niet worden opgevat als een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Ook overigens is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van op grond van internationale verdragen bestaande rechten. De omstandigheid dat de betrokkene het niet eens is met de proceskostenveroordeling te zijnen laste maakt dit niet anders.

3.6. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter niet zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling, noch dat hij getreden zou zijn buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV. Voor doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid WAHV is derhalve geen plaats.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Dijk, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van Meester als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.