Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI0503

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-05-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00032
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

art. 12, derde lid, WAHV; art. 14 WAHV; hoogte sanctie; horen van getuige à charge; Van een betrokkene mag worden verwacht dat een verzoek aan de kantonrechter voorzien is van een deugdelijke onderbouwing, zodat de kantonrechter kan beoordelen of hij redenen ziet het verzoek in te willigen. In het onderhavige geval behoefde de rechter de door de betrokkene gebezigde bewoordingen niet te verstaan als een deugdelijk gemotiveerd verzoek tot het horen van getuigen. Geen doorbreking appelverbod.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12, geldigheid: 2003-05-22
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2003-05-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 03/00032

22 mei 2003

CJIB 51488582

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 18 november 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De betrokkene verzoekt het hof de advocaat-generaal te veroordelen tot vergoeding van de kosten aan de betrokkene.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 8 mei 2003. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. K. Tienstra. De betrokkene is niet verschenen.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan Euro€ 70,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € Euro 28,--

3.2. De betrokkene stelt dat het hoger beroep niettemin ontvankelijk is, op grond dat schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft plaatsgevonden dat geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak door de kantonrechter. Hiertoe voert de betrokkene de volgende drie punten aan:

a. de betrokkene heeft diverse malen, aan zowel de officier van justitie, de griffier van de rechtbank en aan de kantonrechter, verzocht om de verbaliserende ambtenaren ter zitting als getuigen op te roepen. De kantonrechter heeft ten onrechte niet op het verzoek gereageerd. Als gevolg hiervan heeft de betrokkene zich niet behoorlijk kunnen verdedigen;

b. de kantonrechter heeft ten onrechte niet gereageerd op het verweer van de betrokkene dat hij bij het constateren van de gedraging had moeten worden staandegehouden;

c. de kantonrechter heeft onvoldoende gemotiveerd beslist op het verweer van de betrokkene dat de accuratesse van de gebruikte radarapparatuur te kort schiet.

3.3. De betrokkene stelt met juistheid dat de beslissing waarvan beroep geen overweging en/of beslissing bevat omtrent het verzoek van de betrokkene om de verbalisanten als getuigen op te roepen. Blijkens de stukken van het geding heeft de betrokkene de volgende verzoeken aan de kantonrechter gericht:

- (in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier)

"Vanwege de deficiënte motivatie van de Officier, zal de waarheidsvinding ter zitting ten overstaan van U moeten plaatsvinden. Hiermede verzoek ik U, c.q. de Griffier, om de verbaliserende ambtenaren op te roepen om ter zitting te verschijnen. Voor zover noodzakelijk wil ik U wijzen op mijn rechten, voortvloeiend uit artikel 6, lid 3, onderdeel d, EVRM.".

- (in een brief d.d. 5 september 2002 aan de griffier van de rechtbank)

"Tevens verzoek ik U hierbij nogmaals om de verbaliserende ambtenaren, op te roepen ter zitting te verschijnen. Voor zover nodig verwijs ik U naar artikel 6, lid 3, onderdeel d, EVRM.".

- (in een brief d.d. 20 oktober 2002 aan de griffier van de rechtbank)

"Ik herhaal tevens hierbij mijn verzoek om de verbaliserende ambtenaren op te roepen ter zitting te verschijnen. Op grond van het EVRM heb ik het recht om de getuigen à decharge te horen.".

3.4. Ingevolge artikel 12, derde lid, WAHV, kan de kantonrechter ambtshalve of op verzoek personen als getuige of deskundige horen. Van de betrokkene mag worden verwacht, dat een verzoek aan de kantonrechter voorzien is van een deugdelijke onderbouwing, zodat de kantonrechter kan beoordelen of hij redenen ziet het verzoek in te willigen. In het onderhavige geval behoefde de kantonrechter de bewoordingen van de betrokkene, zoals hiervoor onder 3.3. gebezigd, niet te verstaan als een deugdelijk gemotiveerd verzoek tot het horen van getuigen. De kantonrechter behoefde derhalve geen beslissing te nemen, als door de betrokkene gesteld. Derhalve kan niet gezegd worden dat de kantonrechter te dien aanzien is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en faalt het betoog van de betrokkene, hiervoor onder 3.2., onder a, genoemd.

3.5. Met betrekking tot de hiervoor onder 3.2. onder b en c genoemde punten overweegt het hof, dat deze betrekking hebben op de gedraging zelf dan wel de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden. De kantonrechter heeft - expliciet, dan wel impliciet - inhoudelijk beslist op het betoog van de betrokkene. Het enkele feit dat de kantonrechter het door de betrokkene gestelde niet heeft gehonoreerd brengt niet mee dat hij is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat hij zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling.

3.6. Het voorgaande brengt mee, dat voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV geen plaats is. Het beroep zal worden verworpen. Behandeling van de overige door de betrokkene opgeworpen bezwaren kan niet aan de orde komen. Er is geen grond om het verzoek om vergoeding van kosten toe te wijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.