Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH9587

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
BK 894/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1314

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 894/02 3 juli 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep X te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Nijefurd, gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ).

1. Ontstaan en loop van het geding.

Ingevolge de Wet WOZ heeft de heffingsambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak a-wei 14 te Z waarvan de belanghebbende eigenaar en/of gebruiker is, vastgesteld bij beschikking onder nummer 000/000, gedateerd 28 februari 2002. Daarbij is de waarde vastgesteld op € 187.865,-- (ƒ 413.999,--). Bij de uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 13 maart 2002, is deze waarde nader bepaald op € 162.453,-- (ƒ 358.000,--). In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde verlaagd tot € 145.209,-- (ƒ 320.000,--).

Het beroepschrift (met bijlagen) is op 5 april 2002 ter griffie ingekomen. Bij de mondelinge behandeling, gehouden te Leeuwarden op 28 april 2003, waren aanwezig de belanghebbende en de heffingsambtenaar, beiden in persoon.

Het gerechtshof heeft op 2 mei 2003 uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn op 6 mei 2003 per aangetekende post aan de partijen verzonden. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 20 mei 2003 is bij het gerechtshof een verzoek van belanghebbende ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het door belanghebbende verschuldigde griffierecht is op 4 juni 2003 voldaan.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.1 Bij beschikking van 28 februari 2001 is door de heffingsambtenaar ten aanzien van de belanghebbende als eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-wei 14 te Z (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De waardepeildatum is 1 januari 1999. De onroerende zaak betreft een in 1999 gebouwde twee-onder-één-kap woning met garage. De woning heeft een bruto-inhoud van 419 m³ en is gelegen op een perceel van 293 m².

2.2 De door de heffingsambtenaar aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 € 187.865,-- (ƒ 413.999,--). Bij de bestreden uitspraak is deze waarde nader bepaald op € 162.453,-- (ƒ 358.000,--). In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde verlaagd tot € 145.209,-- (ƒ 320.000,--).

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.

3.2 Belanghebbende is van mening dat de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak moet worden vastgesteld op € 117.529,-- (ƒ 259.000,--), gelijk aan de WOZ-waarde van de identieke buurpanden a-wei 12 en 16.

3.3 De heffingsambtenaar bestrijdt belanghebbendes grieven.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

4.3 Op de heffingsambtenaar rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 - met inachtneming van de Wet - niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde heeft de heffingsambtenaar verwezen naar het taxatierapport van 16 oktober 2002 dat is opgemaakt door de WOZ-taxateur onroerende zaken ir. A, werkzaam bij B te L, waarin een aantal referentiewoningen is genoemd als bedoeld onder punt 3.2.

4.4 Naar het oordeel van het gerechtshof is de heffingsambtenaar in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Blijkens het onderwerpelijke taxatierapport is de onroerende zaak getaxeerd aan de hand van de onder punt 3.2 bedoelde vergelijkingsmethode. De daarbij opgevoerde vergelijkingsobjecten vormen een redelijke afspiegeling van de markt ten tijde van de peildatum 1 januari 1999. De relevante verschillen tussen deze vergelijkingspercelen en belanghebbendes onroerende zaak in onder meer de brutoinhoud, de perceelsgrootte en ligging zijn in dit taxatierapport voldoende tot uitdrukking gebracht. Deze verschillen zijn niet van een zodanige omvang dat de opgevoerde vergelijkingsobjecten in dezen niet goed bruikbaar zijn. De referentieobjecten a-wei 4 en 16 zijn zelfs van hetzelfde bouwtype.

4.5 Belanghebbende stelt dat de met zijn woning vergelijkbare woningen aan de a-wei 12 en 16 op ƒ 259.000,-- zijn gewaardeerd en dat deze lagere waarde op grond van het gelijkheidsbeginsel ook voor zijn woning moet gelden. De heffingsambtenaar heeft daar tegenover gesteld dat beide woningen per abuis op een te lage WOZ-waarde zijn vastgesteld, zodat hier sprake is van een incidentele taxatiefout. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar in aanvulling hierop nog medegedeeld dat de acht twee-onder-één-kap-woningen aan de a-wei 4 t/m 20 van hetzelfde type zijn, waarvan de WOZ-waarde is vastgesteld op

ƒ 320.000,--, of ƒ 325.000,-- als het een hoekkavel betreft of als er sprake is van een verlengde garage.

4.6 Gelet op het vorenstaande overweegt het gerechtshof dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen slaagt als in een meerderheid van de met de situatie van belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste waardering achterwege is gebleven, zodat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat ook voor de woning van belanghebbende deze lagere waardering moet worden gehanteerd. Nu het hier gaat om in totaal acht vergelijkbare twee-onder-één-kap woningen, volgt hieruit naar het oordeel van het gerechtshof dat alleen de woningen aan de a-wei 12 en 16 op een te lage WOZ-waarde zijn vastgesteld. Derhalve kan niet worden gezegd dat in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste waardering achterwege is gebleven. Voorts heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de te lage waarde niet het gevolg is van een gevoerd beleid dat was gericht op de begunstiging van een bepaalde belanghebbende. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel door belanghebbende kan derhalve niet slagen.

4.7 De heffingsambtenaar heeft in verband met het beroepschrift van belanghebbende wel aanleiding gezien om de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende te verlagen tot € 145.209,--

(ƒ 320.000,--). De voorgestelde verlaging van de WOZ-waarde houdt tevens in dat de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak niet langer handhaaft.

5. De conclusie

Het vorenoverwogene brengt mee dat het gerechtshof het beroep gegrond zal verklaren en de bestreden uitspraak door het gerechtshof dient te worden vernietigd.

6. De proceskosten

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de heffingsambtenaar het griffierecht van € 29,-- aan belanghebbende te vergoeden. Het gerechtshof wijst de gemeente Nijefurd aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

7. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

stelt de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-wei 14 te Z vast op € 145.209,-- (ƒ 320.000,--);

gelast dat de heffingsambtenaar het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 29,-- aan hem vergoedt en wijst de gemeente Nijefurd aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 3 juli 2003 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president en voorzitter, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 9 juli 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.