Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH9585

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
BK 521/00 Ziekenfondsverzekering Zelfstandigen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het jaar 2000 verplicht verzekerd is ingevolge artikel 3d van de Ziekenfondswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 521/00 4 juli 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het aan het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Enschede verbonden Landelijk punt uitvoering heffing Ziekenfondswet voor zelfstandigen, kennelijk gedaan namens het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur). De uitspraak van de inspecteur betreft het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem afgegeven verklaring ziekenfondsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking d.d. 9 november 1999 heeft de inspecteur verklaard dat belanghebbende als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering voor het jaar 2000.

1.2. Op 16 februari 2000 heeft de belanghebbende bij de inspecteur een brief d.d. 14 februari 2000 ingediend.

1.3. Bij brief van 28 februari 2000 heeft de inspecteur de onder punt 1.1 vermelde verklaring ingetrokken en in de plaats daarvan een nieuwe vervangende beschikking afgegeven. Deze nieuwe beschikking is inhoudelijk identiek aan de verklaring van 9 november 1999.

1.4. Bij dezelfde brief van 28 februari 2000 als bedoeld onder punt 1.3 heeft de inspecteur de onder punt 1.2 vermelde brief van belanghebbende aangemerkt als een bezwaarschrift (mede) gericht tegen de nieuwe beschikking d.d. 28 februari 2000 en heeft de inspecteur daarop in afwijzende zin uitspraak gedaan.

1.5. Op 6 april 2000 heeft belanghebbende een pro forma bezwaarschrift tegen de beschikking van 28 februari 2000 ingediend bij de inspecteur. Tevens heeft belanghebbende op die dag een beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar d.d. 28 februari 2000 ingediend bij het gerechtshof.

1.6. Bij brief van 14 april 2000, gericht aan belanghebbende, heeft de inspecteur aangaande de onder punt 1.2 bedoelde brief van belanghebbende d.d. 14 februari 2000 aangegeven dat "gezien het feit dat u alleen verzocht heeft om juridische duidelijkheid en geen bezwaar heeft ingediend tegen de verklaring van 9 november 1999, ben ik bereid om u alsnog bezwaarmogelijkheden te bieden".

1.7. De inspecteur heeft op 25 mei 2000 uitspraak gedaan op het onder punt 1.5 vermelde (op 4 mei 2000 aangevulde) bezwaarschrift. Bij deze uitspraak heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaren wederom afgewezen.

1.8. Op 28 juni 2000 heeft belanghebbende zijn op 6 april 2000 ingediende beroepschrift ingetrokken.

1.9. Op 6 juli heeft belanghebbende een pro forma beroepschrift ingediend bij het hof. Dit beroepschrift is gericht tegen de door de inspecteur gedane uitspraak op bezwaar van 25 mei 2000.

1.10. Bij brief, ingekomen bij het hof op 3 augustus 2000 heeft belanghebbende zijn beroepschrift voorzien van de gronden van het beroep.

1.11. De inspecteur heeft op 19 juni 2001 een verweerschrift ingediend.

1.12. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 30 januari 2002, gehouden te Groningen. Aldaar zijn zowel belanghebbende als de inspecteur verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en daarvan exemplaren overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Tevens heeft belanghebbende - zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur - een aantal tot zijn pleitnota behorende bijlagen aan het hof en aan de wederpartij overgelegd.

1.13. De inspecteur is ter zitting in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op belanghebbendes pleitnota en de daarbij behorende bijlagen.

1.14. Van deze gelegenheid heeft de inspecteur bij brief, ingekomen bij het hof op 5 maart 2002, gebruik gemaakt. Een afschrift van deze brief is gezonden aan belanghebbende.

1.15. Van belanghebbende is op 2 april 2002 een brief bij het hof ingekomen. Hiervan is een afschrift gezonden aan de inspecteur.

1.16. Nadat partijen door het hof zijn opgeroepen voor een nieuwe mondelinge behandeling van het beroep, is van belanghebbende op 25 april 2003 een brief ingekomen bij het hof.

1.17. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 7 mei 2003 te Groningen, alwaar belanghebbende en de inspecteur zijn verschenen. De door belanghebbende op 2 mei 2003 naar het hof en de inspecteur gefaxte pleitnota is ter zitting geacht te zijn voorgelezen. Van deze pleitnota heeft belanghebbende ter zitting nogmaals een exemplaar overgelegd aan het hof en de inspecteur. De inspecteur heeft ter zitting exemplaren overgelegd aan het hof en belanghebbende van de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota.

1.18. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Belanghebbende drijft voor zijn rekening in de vorm van een eenmanszaak een onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet). Het belastbare inkomen van belanghebbende bedroeg in:

- 1995 ƒ 1.069,--

- 1996 ƒ 20.081,--

- 1997 -/- ƒ 5.650,--

2.2. Belanghebbende was in het jaar 2000 verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

2.3. Sinds jaren, en ook in het jaar 2000, had belanghebbende een particuliere A ziektekostenverzekering bij de B. Volgens de betreffende verzekeringsvoorwaarden kan geen aanspraak op een vergoeding van ziektekosten worden gemaakt, indien daarop aanspraak kan worden gemaakt bij enige andere verzekering. Bij een tijdelijke onderbreking (maximaal 12 maanden) van genoemde particuliere verzekering wegens toetreding tot de verplichte ziekenfondsverzekering is het - zoals de verzekeringsvoorwaarden in het jaar 2000 luidden - zonder nadere gezondheidswaarborgen mogelijk om terug te keren naar die verzekering. Het is niet uitgesloten dat bij terugkeer een hogere premie wordt gevraagd.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het jaar 2000 verplicht verzekerd is ingevolge artikel 3d van de Ziekenfondswet.

4. De standpunten van belanghebbende

Belanghebbende heeft in de van hem afkomstige stukken alsmede ter zitting - kort weergegeven - het volgende aangevoerd:

a. de beschikking d.d. 28 februari 2000 had, gelet op wettelijke bepalingen van formele aard, niet afgegeven mogen worden;

b. de bestreden beschikking (d.d. 28 februari 2000) is in strijd met de bedoeling van de wetgever;

c. de bestreden beschikking is niet draagkrachtig gemotiveerd;

d. de bestreden besschikking is in strijd met het zorgvuldigheids-beginsel;

e. de bestreden beschikking is in strijd met het evenredigheidsbeginsel;

f. de inspecteur heeft belanghebbende niet gehoord voorafgaand aan het afgeven van de bestreden beschikking;

g. de bestreden beschikking is in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel;

h. als uitvloeisel van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur had de inspecteur moeten afwijken van de vigerende wettelijke bepalingen en de daaraan verbonden ministeriële regelingen;

i. de volgende artikelen staan in casu in de weg aan de geldigheid van de betreffende wet- en regelgeving:

- artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (: EVRM);

- artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten;

- artikel 18 van het EVRM.

5. Het standpunt van de inspecteur

De inspecteur is volgens de van hem afkomstige stukken alsmede hetgeen hij ter zitting naar voren heeft gebracht - kort gezegd - van opvatting dat de (nieuwe) beschikking ziekenfondsverzekering zelfstandigen d.d. 28 februari 2000 terecht en op de juiste gronden is afgegeven.

6. De overwegingen omtrent het geschil

6.1. Met betrekking tot de onder punt 4a van deze uitspraak vermelde grief van belanghebbende overweegt het hof dat het niet vermag in te zien dat belanghebbende in zijn processuele belangen is geschaad door de - deels om proceseconomische redenen gevolgde - handelwijze van de inspecteur, zoals weergegeven onder de punten 1.3, 1.4, 1.6 en 1.7. Het hof is niet gebleken dat de inspecteur de beschikking d.d. 28 februari 2000 is strijd met enig wettelijk voorschrift van formele aard heeft afgegeven.

6.2. Tussen partijen is - naar het gerechtshof hen begrijpt - niet in geschil dat de onderhavige verklaring (inhoudelijk) strookt met het bepaalde in artikel 3d van de Ziekenfondswet juncto artikel 1, lid 1, aanhef en onder d en artikel 2, lid 1 van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen van 13 december 1999 (: de Regeling). Het hof is niet gebleken dat partijen hierbij uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting.

6.3. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn uitspraken van 21 februari 2003 (nr. 36 558), 7 maart 2003 (nr. 36 642) en 7 maart 2003

( nr. 36 621) heeft overwogen, kunnen de in deze uitspraak onder de punten 4b, 4c, 4d, 4e, 4f en 4g en 4h weergegeven grieven van belanghebbende hem niet baten.

6.4. Het hof ziet niet in dat de door belanghebbende onder punt 4i genoemde artikelen in casu aan de geldigheid van artikel 3d van de Ziekenfondswet en de daarop gebaseerde Regeling (en daarmee de geldigheid van de afgegeven verklaring) in de weg staan. De onder punt 4i vermelde grief heeft belanghebbende dus eveneens tevergeefs opgeworpen.

6.5. Ook anderszins ziet het hof geen aanleiding de beschikking d.d 28 februari 2000 dan wel de uitspraak van 25 mei 2000 te vernietigen.

6.6. Belanghebbendes beroep treft derhalve geen doel.

7. De proceskosten:

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing:

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 4 juli 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 9 juli 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.