Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH9580

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
BK 901/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de waarde van de onroerende zaak per prijspeildatum 1 januari 1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 901/02 4 juli 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de directeur van het directoraat bestuurs- en bedrijfsondersteuning van de gemeente Veendam (: de directeur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet ).

1. Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet heeft de directeur de waarde met betrekking tot de onroerende zaak a-laan 8 te Z waarvan belanghebbende eigenaar en/of gebruiker is, vastgesteld bij beschikking, met het nummer 00000, gedateerd 31 mei 2001. Daarbij is de waarde vastgesteld op ƒ 402.000,--. Bij de uitspraak waarvan beroep, verzonden op 6 maart 2002, is deze waarde gehandhaafd.

Het beroepschrift (met bijlage) is op 5 april 2002 ter griffie van het hof ingekomen. De directeur heeft vervolgens op 11 juli 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Vervolgens heeft belanghebbende een conclusie van repliek genomen, welke bij het hof is binnengekomen op 15 januari 2003 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de directeur.

De directeur heeft vervolgens een conclusie van dupliek genomen, welke bij het hof is binnengekomen op 11 februari 2003 en waarvan een afschrift aan de belanghebbende werd gezonden.

De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 april 2003, gehouden te Groningen, alwaar zijn verschenen belanghebbende en namens de directeur mevrouw mr A van B B.V., Belastingadviseurs voor overheden te L en de heer C, beëdigd makelaar-taxateur van onroerende zaken en gediplomeerd WOZ-taxateur. Belanghebbende heeft ter zitting een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd, alsmede enkele bijlagen, tegen overlegging waarvan zijdens de directeur geen bezwaar is gemaakt.

Het hof heeft in deze zaak op 22 april 2003 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 6 mei 2003, aan partijen is verzonden.

Bij een op 20 mei 2003 ter griffie ingekomen brief heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 3 juni 2003 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 Bij beschikking van 31 mei 2001 is door de directeur ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-laan 8 te Z (: de onroerende zaak/ de woning) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De onroerende zaak betreft een in 1993 gebouwde vrijstaande woning met een garage gelegen op een perceel van 542 m2.

2.3 De door de directeur aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 ƒ 402.000,-. In het kader van de bezwaarprocedure heeft de directeur deze waarde gehandhaafd. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst de directeur onder meer naar een in zijn opdracht in juli 2002 uitgevoerde taxatie van de woning door de heer C, beëdigd makelaar-taxateur van onroerende zaken en gediplomeerd WOZ-taxateur, werkzaam voor D B.V., te M. In dit rapport wordt de onroerende zaak op voormelde waarde getaxeerd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is de waarde van de onroerende zaak per prijspeildatum 1 januari 1999.

3.2 Belanghebbende is van mening dat de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld. Hij voert hiertoe onder meer aan dat voor vergelijkbare woningen een lagere waarde in het kader van de Wet is vastgesteld. Daarnaast plaatst belanghebbende vraagtekens bij de grondigheid van de uitgevoerde taxatie.

3.3 De directeur is van mening dat de waarde van de woning juist is vastgesteld.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.5 Ter zitting heeft de directeur zijn standpunt gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18 eerste lid van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen.

4.2 Op de directeur rust de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 -met inachtneming van de Wet- niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per deze datum.

4.3 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

4.4 In voormeld taxatierapport van de woning worden drie eveneens te Veendam gelegen referentieobjecten vermeld en de hiervoor gerealiseerde verkoopprijzen. Op basis van de in het rapport gemaakte vergelijking acht het hof de door de directeur vastgestelde waarde voldoende aannemelijk gemaakt. Voorzover belanghebbende een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel in die zin dat hij aanvoert dat de directeur de waarde van vergelijkbare woningen op een lager bedrag heeft vastgesteld, overweegt het hof, in aanmerking genomen de zowel schriftelijk als mondeling verstrekte gegevens, dat niet sprake is van gelijke gevallen, daar de woningen onderling van elkaar verschillen. Voorts heeft de directeur erkend dat de onroerende zaak a-laan 14 te Z, als gevolg van een incidentele taxatiefout, op een te lage waarde is vastgesteld. Het bestaan van een beleid, in welk kader de waarde van de door belanghebbende bedoelde onroerende zaken lager is vastgesteld, is gemotiveerd weersproken. De grief van belanghebbende inhoudende dat de taxatie niet correct is uitgevoerd acht het hof gelet op het naar aanleiding van deze taxatie opgesteld taxatierapport niet aannemelijk gemaakt.

Nu belanghebbende overigens geen feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die de waardevaststelling, dan wel de aan de gehanteerde referentiepercelen toe te kennen waarde, krachteloos maken en ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat de waarde per de peildatum 1 januari 1999 op een te hoog bedrag is vastgesteld, ziet het gerechtshof geen reden tot verlaging van de door de directeur vastgestelde waarde.

5. De conclusie.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 4 juli 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige kamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer.

De griffier was verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 9 juli 2003