Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH9579

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
BK 1549/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de onder 2.9 aangeduide correctie heeft toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1304

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 1549/02 4 juli 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 27.079,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 17 juni 2002 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 8 juli 2002 is ingekomen.

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 21 mei 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar de inspecteur aanwezig was. De gemachtigde van belanghebbende, hoewel behoorlijk opgeroepen, en belanghebbende zijn niet verschenen.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende, geboren op .. september 19.., heeft in 1997 aan de a-straat 3 te Z een winkelpand (: het pand) aangekocht voor f 70.000,-. Het betreft hier het kadastraal nummer Y 000 ter grootte van 35 ca.

2.3 In het pand wordt onder meer een sex-shop geëxploiteerd. Het pand maakt deel uit van een sexhuis.

2.4 Achter het pand bevindt zich een achterbouw, die is gebouwd op grond die eveneens eigendom is van belanghebbende, maar een ander kadastraal nummer heeft. Dit gedeelte is niet op de bedrijfsbalans geactiveerd.

2.5 Het pand bestaat uit een winkeltje beneden en een grote kamer boven. De achterbouw bestaat uit twee kleine kamertjes. Tussen het winkeltje en de achterbouw bevindt zich een soort wachtruimte en een keukenblok. In de achterbouw wordt te zamen met de wachtruimte en de kamer boven in het pand een bordeel gedreven.

2.6 Belanghebbende heeft haar onderneming met ingang van 1 april 1999 gestaakt. Vanaf die datum wordt het pand (samen met de achterbouw) verhuurd. Door de huurder wordt een vergelijkbare onderneming geëxploiteerd. De huurprijs bedraagt in 1999 vanaf 1 april 1999 op jaarbasis f 41.600,-. Hiervan is in ieder geval de helft ofwel f 20.800,- aan het pand toe te rekenen. 2.7 De oppervlakte van de achterbouw is nagenoeg gelijk aan die van het pand.

2.8 Ter berekening van de stakingswinst is door belanghebbende aan het pand een waarde van f 90.000,- in verhuurde staat toegekend. Bij het beroepschrift heeft belanghebbende een taxatie overgelegd van makelaar A, welke voor het pand uitkomt op een onderhandse verkoopwaarde (in vrij te aanvaarden staat) van

€ 43.000,-.

2.9 Door de Belastingdienst/Ondernemingen Zwolle, afdeling waarde-onderzoek, is het pand getaxeerd op een waarde in het economische verkeer van f 110.000,-, in verhuurde staat. Van deze waarde is de inspecteur uitgegaan bij de toegepaste correctie op de stakingswinst. Rekening houdende met de resterende stakingsvrijstelling heeft de inspecteur aldus het aangegeven belastbare inkomen verhoogd met een correctie stakingswinst van

f 17.440,- en het belastbare inkomen vastgesteld op f 27.079,-.

2.10 Het pand komt in verband met het vergunningstelsel voor bordelen in aanmerking voor een zodanige vergunning. Op de stakingsdatum was met betrekking tot het pand het winkeltje in vrij te aanvaarden staat en de kamer boven verhuurd. De kamer boven en het winkeltje maken ieder ongeveer de helft van het pand uit.

2.11 De taxateur van de Belastingdienst/Ondernemingen Zwolle heeft tegenover de inspecteur verklaard dat de waarde vrij en de waarde in verhuurde staat met betrekking tot het pand niet veel van elkaar verschillen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de onder 2.9 aangeduide correctie heeft toegepast. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3 Belanghebbende concludeert tot verlaging van de aanslag.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Het hof is van oordeel, gelet op het onder 2.10 vermelde, dat ter berekening van de stakingswinst met betrekking tot het pand voor het winkeltje uitgegaan moet worden van de waarde in vrij te aanvaarden staat en voor de kamer boven van de waarde in verhuurde staat.

4.2 Het hof acht gelet op de onder 2.6 genoemde huurprijs van ongeveer f 20.800,- op jaarbasis voor het pand de onder 2.9 genoemde taxatie van f 110.000,- voor het pand (in verhuurde staat) niet te hoog. 4.3 Het hof hecht geloof aan de aan de onder 2.11 weergegeven verklaring van de taxateur. Daaruit volgt dat voor de berekening van de stakingswinst (zie 4.1) uitgegaan kan worden van de onder 4.2 genoemde taxatie, ondanks het feit dat daarbij het pand geheel in verhuurde staat is getaxeerd.

4.4 De door belanghebbende overgelegde taxatie komt het hof te laag voor. Bij een mogelijkheid om het pand op jaarbasis voor f 20.800,- te verhuren is een verkoopwaarde in vrij te aanvaarden staat van

€ 43.000,- te laag. De stelling van belanghebbende dat de waarde van het pand in verhuurde staat nog lager zou zijn is niet nader gemotiveerd en moet worden verworpen. De stelling van belanghebbende dat de hoge huur niet geheel is toe te rekenen aan het pand maar deels aan de vergunning, kan niet worden aanvaard omdat (zie 2.10) de vergunning aan het pand verbonden is.

4.5 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 4 juli 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mw. mr. G.M. van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 9 juli 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.