Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH9572

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
BK 2025/02 Successierechten
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of ten aanzien van mw. B uitgegaan moet worden van een verkrijging van f 7.500,- in plaats van f 28.500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/48.20

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 2025-02 4 juli 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de erven van mevrouw X te Z betreffende de aan hen door het hoofd van de eenheid Registratie en successie van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspec-teur) opgelegde navorderingsaanslag in het recht van successie voor het jaar 1997 (aanslagnummer 0.00.00.0000).

1.a Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbenden werd voor het jaar 1997 met dagtekening 29 februari 2000 een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van f 7.500,- door de heer A en een verkrijging van f 28.500,- door mevrouw B als bedoeld in de Successiewet 1956 (hierna te noemen: de Wet) met een verhoging van per saldo 50 percent betreffende de eerstgenoemde verkrijging en een verhoging van per saldo f 3.085,- betreffende de tweede verkrijging. Het totaal te betalen bedrag op de navorderingsaanslag bedroeg f 22.570,-.

Belanghebbenden hebben tijdig bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij uitspraak heeft gedaan. Het hof moet er derhalve van uitgaan dat hij dit niet heeft gedaan. Belanghebbenden zijn in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 7 maart 2002 is ingekomen.

Het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Hengelo/Vestiging Zwolle (hierna: de Inspec-teur) heeft na een verzoek daartoe van het hof op de eerste zitting een verweerschrift (met bijlagen) ingediend, dat op 3 december 2002 is ingekomen..

De mondelinge behandelingen hebben plaatsgevonden ter zittingen van 18 november 2002 en 21 mei 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbenden, alsmede de Inspecteur. Zonder bezwaar van de Inspecteur hebben belanghebbenden op de eerste zitting een aantal stukken overgelegd. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

1.b Ontvankelijkheid beroep

Gelet op het ontbreken van een uitspraak op bezwaar moet het op 7 maart 2002 ingekomen beroep ontvankelijk worden geacht.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Op 20 en 21 januari 1999 stelde de Belastingdienst/Ondernemingen Groningen een boekenonderzoek over het jaar 1997 in bij de eenmanszaak van de echtgenoot van mw. B te Z, een nicht van mw. X. Tijdens dit onderzoek bleek het netto-privé voor het gezin van genoemde nicht en haar echtgenoot ontoereikend te zijn.

2.2 Genoemde nicht heeft op dat moment verklaard dat zij in de jaren 1995, 1996 en 1997 geld voor de huishouding had gekregen van een familielid. Het familielid in kwestie bleek te zijn haar tante, mw. X, overleden op .. oktober 19.., laatstelijk gewoond hebbend te Z. Genoemde nicht was de enige erfgename van mw. X.

2.3 De bedragen die werden ontvangen door de jaren heen bedroegen:

1995 f 4.000,-

1996 f 12.000,-

1997 f 31.500,-. Hiervan is f 28.500,- geschonken binnen 6 maanden voor het overlijden van mw. X.

2.4 Daarnaast kwam in het gesprek van de controlerend ambtenaar met genoemde nicht aan het licht dat mw. X enkele weken voor haar overlijden aan een broer van genoemde nicht f 7.500,- had geschonken.

2.5 Het onder 2.4 vermelde bedrag van f 7.500,- en het onder 2.3 vermelde bedrag van f 28.500,- vertegenwoordigen de onder 1.a genoemde verkrijgingen.

2.6 De inspecteur heeft bij navorderingsaanslag voor het recht van schenking voor het jaar 1997, opgelegd aan mw. B, het onder van 2.3 genoemde bedrag van f 31.500,- belast met schenkingsrecht. Bij uitspraak van het hof van 7 februari 2003, BK 2022-02, is het beroep ter zake ongegrond verklaard en is het gehele bedrag van f 31.500,- als schenking aangemerkt. Belanghebbenden hebben zich hierbij neergelegd. Deze uitspraak staat onherroepelijk vast.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of ten aanzien van mw. B uitgegaan moet worden van een verkrijging van f 7.500,- in plaats van f 28.500,-. Belanghebbenden beantwoorden deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben ter zitting geen nieuwe argumenten toegevoegd.

3.3 Belanghebbenden concluderen tot verlaging van de navorderingsaanslag.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Gelet op het onder 2.3, 2.5 en 2.6 vermelde ziet het hof geen reden de verkrijging door mw. B lager te stellen dan

f 28.500,-.

4.2 De inspecteur heeft in zijn verweerschrift becijferd dat de navorderingsaanslag (na verrekening van het schenkingsrecht op grond van artikel 12 in verband met artikel 10, lid 4, van de Wet) wat betreft de verkrijging van mw. B met f 11.784, moet worden verminderd.

Het hof heeft geen reden om aan deze berekening te twijfelen. Dit leidt ertoe dat het totaal te betalen bedrag van de navorderingsaanslag met f 11.784,- verminderd moet worden tot op f 10.786,-. Niet is komen vast te staan of de Inspecteur dit bedrag al heeft terugbetaald.

4.3 In het geschil is het gelijk wat betreft de grootte van de verkrijging door mw. B gelet op 4.1 aan de zijde van de Inspecteur, maar er moet wel alsnog rekening worden gehouden met verrekening van schenkingsrecht (zie 4.2), zodat belanghebbenden ook voor een deel gelijk hebben.

4.4 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het Hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbenden in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Het Hof bepaalt deze kosten op grond van het Be-sluit proceskosten bestuursrecht op 2,5 (punten) x 1,5 (wegingsfactor) x

€ 322,-- = € 1.207,50, welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

Aangezien in de onderhavige zaak geen griffierecht is geheven, zal ter zake geen vergoeding door de Inspecteur hoeven te geschieden.

6. De beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vermindert het totaal te betalen bedrag van de navorderingsaanslag van f 22.570,- met f 11.784,- tot op f 10.786,-;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbenden te vergoeden, die deze hebben moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 1.207,50; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 4 juli 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. G.M. van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 9 juli 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.