Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH9176

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
03-07-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00427
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten van verhaal waaronder begrepen de invorderingskosten kunnen met de administratieve sanctie en de wettelijke verhogingen worden opgenomen in éen dwangbevel. Tot de kosten van verhaal behoren zowel de buitengerechtelijke incassokosten als de kosten van het deurwaardersexploit.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26, geldigheid: 2003-07-02
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a, geldigheid: 2003-07-02
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 22, geldigheid: 2003-07-02
Wetboek van Strafvordering 575, geldigheid: 2003-07-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/276 met annotatie van C.L.G.F.H. A

Uitspraak

WAHV 03/00427

2 juli 2003

CJIB 49873283

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 25 maart 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beschikking van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 16 oktober 2002 uitgevaardigd dwangbevel gedeeltelijk gegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Blijkens de stukken van het geding is de mededeling van de beschikking van het kantongerecht op 8 april 2003 verzonden. Het faxbericht waarbij beroep is ingesteld is blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie van de rechtbank ingekomen op 23 april 2003. Het hoger beroep is derhalve niet ingesteld binnen de in art. 26a, eerste lid, WAHV voorgeschreven termijn van twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter. De officier van justitie moet derhalve in het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.2. Het hof ziet echter aanleiding, gelet op aard en de reikwijdte van de in het beroepschrift aan de orde gestelde problematiek, in overwegingen ten overvloede het beroep inhoudelijk te behandelen.

3.3. Ten aanzien van de in het exploit van betekening van de deurwaarder van 24 oktober 2002 genoemde incasso- en exploitkosten heeft de kantonrechter overwogen, dat in dit stadium van het incassotraject nog geen sprake is van verhaal op goederen in de zin van art. 26 WAHV. Gelet op, respectievelijk naar analogie van de beschikkingen van de HR, zoals gepubliceerd in NJ 1993/180, 2001/265 en 2001/266, wordt nog geen aanleiding gezien de bedoelde kosten reeds thans ten laste van de betrokkene te doen zijn.

3.4. De officier van justitie stelt zich op het standpunt, dat de kantonrechter een onjuiste uitleg geeft aan art. 26 WAHV. Hiertoe wordt onder meer het volgende aangevoerd.

"Naar aanleiding van het door de kantonrechter aangehaalde arrest, zoals gepubliceerd in NJ 1993 nr 180 is de WAHV als volgt gewijzigd: In art. 26, vijfde lid, wordt een nieuwe tweede volzin toegevoegd, luidende als volgt: "Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de invorderingskosten".

De Memorie van Toelichting (Kamerstukken 2 1992-1993, 22962, nr 11) van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van de WAHV zoals deze bij wetsvoorstel 22962 door de tweede kamer is aanvaard, houdt het volgende in:

"Artikel 26, vijfde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder) bepaalt dat de kosten van het verhaal op dezelfde wijze als de administratieve sanctie zelf op de nalatige verkeersovertreder wordt verhaald. Verder bepaalt dit artikel dat de verhaalskosten worden berekend met toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken. Bij de totstandkoming van de Wet Mulder is ervan uitgegaan dat de invorderingskosten gerekend moeten worden tot de kosten van het verhaal en dat de incassokosten, die de deurwaarder maakt, bij de tenuitvoerlegging van het dwangbevel dan ook door de betrokkene moeten worden betaald. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 juli 1992, RvdW 1992, 191, evenwel bepaald dat uit de tekst van artikel 26, vijfde lid, van de Wet Mulder niet volgt dat, kort gezegd, onder de "kosten van het verhaal" begrepen zijn de invorderingskosten. De onderhavige wijziging strekt ertoe deze omissie weg te nemen en de tekst van artikel 26, vijfde lid, aldus te wijzigen dat, conform de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, buiten twijfel wordt gesteld dat de kosten van verhaal alle invorderingskosten behoren. Tegelijkertijd wordt voorgesteld in de Wet tarieven in burgerlijke zaken te bepalen dat voor de incasso van een Muldersanctie (en voor alle duidelijkheid ook die van een geldboete) een vergoeding wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, zijnde het Deurwaardersreglement. Deze laatste zal, nadat dit wetsvoorstel in werking zal treden, op dit punt worden aangepast. Het betoeft geen betoog dat een adequate regeling van de doorbereking van de verhaalskosten aan de nalatige verkeersovertreder uit financieel oogpunt gewenst is. Vandaar dit wijzigingsvoorstel".

Met deze aanpassing van artikel 26, lid 5, (thans lid 9) WAHV bij de wijzigingswet van 1993 is, gelet op de Memorie van Toelichting, beoogd om de invorderingskosten en de incassokosten die de deurwaarder maakt voor rekening te laten komen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. (...) Dat daarbij de fase waarin de tenuitvoerlegging van het dwangbevel zich bevindt niet relevant is - in tegenstelling tot hetgeen blijkt uit de beschikking van de kantonrechter - blijkt namelijk uit de hierboven aangehaalde Memorie van Toelichting. (...)

In samenhang met het hiervoor overwogene kan - wellicht ten overvloede - nog worden opgemerkt dat uit het systeem van de wet volgt dat, eerst voordat verhaal kan worden genomen op de goederen van een betrokkene, enige 'inleidende handelingen' door de deurwaarder moeten worden verricht. Zowel de 'inleidende handelingen' als de kosten die de deurwaarder hierbij maakt zijn een gevolg van de vigerende wet en regelgeving. Artikel 439 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft bijvoorbeeld aan dat het beslag op roerende zaken moet worden voorafgegaan door een exploit van de deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn kan het beslag worden gelegd. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de WAHV beoogd (zoals ik hiervoor reeds heb overwogen) ook de hierbovengenoemde kosten ten laste te doen zijn van degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd. (...)

Ten aanzien van de door de kantonrechter gedane verwijzingen naar de arresten zoals gepubliceerd in NJ 2001/265 en NJ 2001/266 wil ik nog het volgende overwegen:

Naar aanleiding van het arrest zoals gepubliceerd in NJ 2001/265 is er een nieuw vijfde lid toegevoegd aan artikel 575 Wetboek van Strafvordering, luidende als volgt: "De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete, onderscheidenlijk de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, verhaald op de veroordeelde. Onder de kosten van het verhaal zijn begrepen de invorderingskosten". De verwijzing van de kantonrechter is niet relevant daar met deze aanpassing van artikel 575, lid 5, Wetboek van Strafvordering tevens is beoogd om een wettelijke voorziening op te nemen om de incasso- en de invorderingskosten die worden gemaakt bij de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor rekening te laten komen van een veroordeelde." (einde citaat).

3.5. Art. 26, eerste lid, WAHV luidt als volgt: Verhaal op de goederen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd geschiedt krachtens een dwangbevel, medebrengende het recht op die goederen zonder vonnis aan te tasten.

3.6. Art. 26, negende lid, WAHV bepaalt dat de kosten van verhaal krachtens dit artikel op gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie de sanctie is opgelegd worden verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn begrepen de invorderingkosten.

3.7. Gelet op de wetsgeschiedenis van dit artikel, zoals weergegeven in het beroepschrift van de officier van justitie onder 3.2., alsmede op de wetsgeschiedenis van art. 575 Sv (Wet van 17 mei 2001, Stb. 2001, 245), bij welke wet in reactie op de beslissing van de Hoge Raad van 20 juni 2000 (NJ 2001,265) lid 5 (opnieuw) aan dat artikel is toegevoegd, moet worden aangenomen, dat onder verhaal "op gelijke voet als de administratieve sanctie" moet worden verstaan, dat de kosten van verhaal, waaronder begrepen de invorderingskosten, met de administratieve sanctie en de wettelijke verhogingen kunnen worden opgenomen in één dwangbevel.

3.8. Art. 22, tweede lid, WAHV luidt:

"Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent de inning voorschriften gegeven. Deze voorschriften hebben in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de administratieve sanctie, de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.".

3.9. Art. 11a Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 luidt:

" De kosten van het verhaal van een administratieve sanctie worden op gelijke voet als de administratieve sanctie verhaald op degene aan wie deze sanctie is opgelegd. Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de invorderingskosten. De kosten van verhaal, voor zover zij niet betreffen de invorderingskosten, worden berekend overeenkomstig de bij het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders vastgestelde tarieven. De omvang van de invorderingskosten wordt bepaald bij ministeriële regeling.".

Blijkens dit artikel behoren derhalve tot de kosten van het verhaal zowel de buitengerechtelijke incassokosten op basis van de (hierna te noemen) ministeriële regeling als de kosten van het deurwaardersexploot op basis van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders.

3.10. De in art. 11a van het Besluit bedoelde ministeriële regeling is de Regeling vaststelling invorderingskosten van de Minister van Justitie, d.d. 6 juli 2001, Stcrt 2001, 134. De toelichting op deze regeling houdt onder meer in: "De onderhavige regeling stelt de kosten vast van de incassohandelingen die worden verricht ter zake van de invordering van geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen en administratieve sancties bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (..). Het gaat daarbij om handelingen zoals het registreren van een opdracht en het beoordelen, uitvoeren en bewaken van een betalingsregeling, verhaalsrecherche, het doen van een aanmaning en corresponderen. Afzonderlijke vaststelling van deze kosten vindt plaats, mede omdat de desbetreffende incassohandelingen in de Gerechtsdeurwaarderswet niet worden gerekend tot de ambtshandelingen, waarvan de tarieven zijn vastgesteld in het Besluit tarieven (het hof leest: ambtshandelingen) gerechtsdeurwaarders. (....)" .

3.11. In aanmerking nemende, dat de incassokosten de kosten zijn die het openbaar ministerie, - c.q. op grond van art. 5 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving het CJIB -, moet betalen aan de gerechtsdeurwaarder voor het incasseren van het op grond van de WAHV door de betrokkene verschuldigde, zijn deze kosten terecht opgenomen in het dwangbevel.

3.12. Op grond van het vorenoverwogene is de beschikking van de kantonrechter, voor zover deze betrekking heeft op de invorderingskosten, niet juist.

3.13. Gelet op het onder 3.1. overwogene brengt dit echter niet mee, dat de beslissing van de kantonrechter zal worden vernietigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.