Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH8844

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
BK 1009/02 Foresenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de hoogte van de opgelegde aanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/1046

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1009/02 27 juni 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van de coördinator Belastingen/WOZ van de gemeente Westerveld (: de coördinator), gedaan op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de ten aanzien van hem opgelegde aanslagen ter zake van de forensenbelasting betreffende de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge artikel 223 van de Gemeentewet en op grond van de in de onderhavige jaren geldende Verordening op de heffing en de invordering van de forensenbelasting van de gemeente Westerveld zijn aan belanghebbende opgelegd met dagtekening 31 augustus 2001 de aanslagen forensenbelasting over de jaren 1998 tot en met 2000 en met dagtekening 30 november 2001 de aanslag over het jaar 2001. Belanghebbende heeft tegen het opleggen van deze aanslagen twee bezwaarschriften ingediend. Ten aanzien van de aanslagen over 1998 tot en met 2000 is het bezwaarschrift bij de gemeente ingekomen op 26 september 2001 en het bezwaarschrift betreffende de aanslag over 2001 is op 7 december 2001 bij de gemeente ingekomen. De coördinator heeft bij twee uitspraken d.d. 25 maart 2002, verzonden op 26 maart 2002, beide bezwaren ongegrond verklaard. Het beroepschrift (met bijlagen) gericht tegen beide uitspraken is op 16 april 2002 ter griffie van het hof ingekomen. De coördinator heeft vervolgens op 13 juni 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Op 7 maart 2003 is een brief (met bijlagen) van belanghebbende ter griffie van het hof ingekomen. Aan de coördinator werd hiervan een afschrift verzonden. Hierbij is aangegeven dat hij op dit schrijven ter zitting inhoudelijk zou kunnen reageren. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 maart 2003 te Assen, alwaar zijn verschenen belanghebbende en namens de coördinator mevrouw A. Ter zitting hebben beide partijen hun ter zitting voorgelezen pleitnota overgelegd.

Het hof heeft in deze zaak op 4 april 2003 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 17 april 2003, aan partijen is verzonden.

Bij een op 8 mei 2003 ter griffie ingekomen brief heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 20 mei 2003 voldaan.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 De coördinator heeft aan belanghebbende een aanslag voor de forensenbelasting over de jaren 1998, 1999 en 2000 opgelegd met dagtekening 31 augustus 2001; de aanslag forensenbelasting over het jaar 2001 is gedagtekend 30 november 2001. Deze aanslagen betreffen de recreatiewoning a-straat 74 te L (hierna ook: de onroerende zaak). Bij de bestreden uitspraak zijn deze aanslagen gehandhaafd.

2.3 Belanghebbende houdt in de jaren 1998 t/m 2001 de gemeubileerde woning voor meer dan 90 dagen voor hem of voor zijn gezin beschikbaar. Het hoofdverblijf van belanghebbende is niet in de gemeente Westerveld.

3. Het geschil en de standpunten van partijen:

3.1 In geschil is de hoogte van de opgelegde aanslagen.

3.2 Belanghebbende is van mening dat zijn recreatiebungalow voor wat betreft de heffing van de forensenbelasting gelijkgesteld moet worden met een stacaravan. Volgens belanghebbende bestaat tussen zijn recreatiewoning en de stacaravans, die zijn recreatiewoning op het recreatiecentrum B te L omringen, geen wezenlijk onderscheid meer qua grootte en comfort. In de gegeven omstandigheden is daarom volgens belanghebbende een dusdanig groot verschil in tarief niet langer gerechtvaardigd en is een dergelijk onderscheid in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voorts hanteert recreatiecentrum B te L voor zijn recreatiebungalow en een stacaravan in het huurcontract dezelfde beperkende voorwaarden.

3.3 De coördinator bestrijdt de grieven van belanghebbende en stelt dat de aanslagen terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.5 Ter zitting heeft de coördinator zijn standpunt gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 De onderhavige aanslagen vinden hun grondslag in artikel 223 van de Gemeentewet en in de in het betreffende jaar geldende Verordening forensenbelasting van de gemeenteraad van Westerveld. Ingevolge artikel 2, lid 1, van de Verordening wordt onder de naam "forensenbelasting" een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Op grond hiervan en het onder het punt 2.2 vermelde is aan belanghebbende over de jaren 1999 t/m 2001 op grond van de onderscheiden verordeningen telkens terecht een aanslag forensenbelasting opgelegd.

4.2 In geschil is nog slechts het antwoord op de vraag of de coördinator in verband met de tariefdifferentiatie ter zake van stacaravans en woningen aan belanghebbende als bewoner van een recreatiewoning terecht een hogere aanslag heeft opgelegd dan aan de bewoners van een stacaravan. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.3 Het hof overweegt daartoe allereerst dat in artikel 223 van de Gemeentewet geen voorschriften met betrekking tot het tarief van de forensenbelasting zijn gegeven. Een beroep op het tarief of op tariefdifferentiatie kan belanghebbende dan ook niet baten, behoudens ingeval de tariefstelling in de verordening tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing leidt die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. Aan deze tariefdifferentiatie in de verordening ligt volgens de coördinator ten grondslag de aanname dat woningen en stacaravans doorgaans verschillend zijn ter zake van comfort en grootte. Het hof is van oordeel dat van deze grondslag niet kan worden gezegd dat hier sprake is van een onredelijke en/of willekeurige belastingheffing. Voorts overweegt het hof dat de verordening van toepassing is op alle stacaravans en recreatiewoningen in deze gemeente. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan immers alleen dan slagen als voor alle recreatiewoningen en stacaravans in de gemeente Westerveld zou gelden dat deze qua grootte en comfort gelijkwaardig aan elkaar zijn. Belanghebbende heeft dat laatste niet gesteld en het hof acht dat ook niet aannemelijk. Van gelijke gevallen die een gelijke behandeling behoeven is geen sprake. Ook rechtvaardigt het onderscheid het verschil in tarief. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

5. De conclusie.

Nu ook anderszins geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die een andere conclusie wettigen, zijn naar het oordeel van het hof de onderhavige aanslagen in overeenstemming met de verordeningen opgelegd, zodat het beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

6. Proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 27 juni 2003 door mr. Fransen, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

De griffier Het lid van deze kamer

mr. J. de Jong mr. H.H.A. Fransen

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden op: 30 juni 2003