Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH8688

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
BK 783/02 Verkrijgingsprijs aandelen
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AR3103
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de door de inspecteur vastgestelde goodwill als niet te laag kan worden beschouwd of dat, zoals belanghebbende bepleit, deze hoger moet worden vastgesteld. Daarnaast is de omvang van de latente belastingschuld bij het bepalen van de verkrijgingsprijs in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1124
FutD 2003-1193

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

BELASTINGKAMER UITSPRAAK

Nummer: 783/02 18 juni 2003

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking vaststelling verkrijgingsprijs van aandelen in A B.V. te Z (: de BV) per 1 januari 1999 ten behoeve van de toepassing van de bepalingen voor het aanmerkelijk belang.

1. Het ontstaan en de loop van het geding.

1.1. De beschikking vaststelling verkrijgingsprijs van aandelen van belanghebbende in de BV, gedateerd 1 oktober 2001, vermeldt een verkrijgingsprijs van f 436.000,-. Daarbij is uitgegaan van een goodwill van f 250.000,- als aandeel van belanghebbende in de totale goodwill van f. 500.000,-.

1.2. Nadat belanghebbende tijdig bezwaar had gemaakt tegen deze beschikking, heeft de inspecteur bij de uitspraak van 19 februari 2002 de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij beroepschrift (met bijlage) dat ter griffie van het hof is ingekomen op 26 maart 2002 en dat is aangevuld bij brief (met bijlagen) van 14 mei 2002.

1.4. Het verweerschrift (met bijlagen) van de inspecteur is ter griffie van het hof ingekomen op 14 juni 2002.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak is op 27 maart 2003 gehouden ter zitting van hof te Leeuwarden, waar namens belanghebbende zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, en belanghebbende die zijn gemachtigde vergezelde en zijn echtgenote, alsmede de inspecteur. Door beide partijen is een ter zitting voorgelezen pleitnota overgelegd.

1.7. Van alle genoemde en nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Tussen partijen staat het volgende als niet, althans onvoldoende, weersproken vast:

2.1. Belanghebbende, geboren . maart 19.. en gehuwd, was tot 1 november 1997 in dienstbetrekking werkzaam als autoverkoper van het merk Volkswagen. In het jaar 1996 bedroeg zijn brutoloon f 167.771,- en in de periode 1 januari 1997 tot en met 31 oktober 1997 f 156.265,-, exclusief privé-gebruik auto. Van zijn werkgever had hij een auto tot zijn beschikking.

2.2. Belanghebbende heeft vervolgens in de periode 1 november 1997 tot en met 31 maart 1998 in de vorm van een eenmanszaak een autobedrijf uitgeoefend. Zijn echtgenote werkte mee in zijn bedrijf, waarbij de arbeidsbeloning is in de periode 1 januari tot en met 31 maart 1998 is vastgesteld op f 19.500,-. Vanaf 1 april 1998 werd de onderneming in firmaverband gedreven onder de naam VOF B. Beide firmanten - belanghebbende en zijn echtgenote - zijn voor 50% gerechtigd in de resultaten en de stille reserves van de firma. Over het jaar 1998 is een totale winst gerealiseerd van f 548.425,-. Met ingang van 1 januari 1999 is de onderneming met toepassing van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 na vaststelling van een voorovereenkomst geruisloos ingebracht in de in het jaar 2000 opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V., met als aandeelhouders belanghebbende en zijn echtgenote, elk voor een gelijk deel. Vervolgens wordt de exploitatie voortgezet door de volledige dochter B B.V. De behaalde winst over het jaar 1999 bedraagt f 597.932,-.

2.3. De onder 2.2. beschreven onderneming betreft een Volkswagen / Audi dealer met als plaats van vestiging Z. De importeur van genoemd merk bepaalt de garagehouder die het dealerschap krijgt. Indien het dealerschap aan een garagehouder wordt gegund worden door de importeur eisen gesteld ter zake van de organisatie en het uiterlijk van het bedrijf, de manier van naar buiten treden, de te behalen verkoopcijfers en de uitvoering van het door de importeur gevoerde beleid. Bij niet nakoming kan de importeur het dealerschap eenzijdig intrekken. Belanghebbende heeft geen bedrag betaald voor het verkrijgen van het dealerschap.

2.4. Bij de onderhavige bepaling van de verkrijgingsprijs van de aandelen in de B.V., is de inspecteur uitgegaan van een goodwill van f 500.000,- per 1 januari 1999 ofwel f 250.000,- per firmant en heeft hij mede op grond daarvan de verkrijgingprijs van deze aandelen vastgesteld op

f 436.000,- . Na bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak deze verkrijgingprijs gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de door de inspecteur vastgestelde goodwill als niet te laag kan worden beschouwd of dat, zoals belanghebbende bepleit, deze hoger moet worden vastgesteld. Daarnaast is de omvang van de latente belastingschuld bij het bepalen van de verkrijgingsprijs in geding.

3.2. Belanghebbende is -kort gezegd- primair van mening dat de verkrijgingsprijs dient te worden vastgesteld op f 1.070.000,-, waarbij (per firmant) rekening is gehouden met een bedrag aan goodwill (per persoon) van f 1.082.500,-. Subsidiair stelt hij dat de verkrijgingsprijs dient te worden bepaald op f 971.000,-, waarin (per firmant) een bedrag aan goodwill (na belastinglatentie) is betrokken van f 762.495,-.

3.3. De inspecteur stelt zich - kort weergegeven - op het standpunt dat de uitspraak dient te worden bevestigd.

3.4. Voor een uitgebreidere weergave van de wederzijdse standpunten verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting zijn door partijen geen nadere gronden aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. De inspecteur berekent in het verweerschrift, op bladzijde 11, de goodwill per 1 januari 1999 als volgt:

te verwachten winst f 564.095,-

af: gewaardeerd loon - 327.000,-

af: rente eigen vermogen - 31.822,-

overwinst vóór belastingen f 205.273,-

vennootschapsbelasting 35% - 71.845,-

overwinst na belastingen f 133.428,-

vermenigvuldigingsfactor x 2

goodwill f 266.856,-

afgerond f 270.000,-

aan belanghebbende toe te rekenen 50% is f 135.000,-

Ter zake van te verwachten winst heeft de inspecteur aangehaakt bij de behaalde winst over 1998. Het hof is van oordeel dat deze door de inspecteur gehanteerde maatstaf en de daaraan door hem gegeven uitwerking passend is ter bepaling van te verwachten winst in het kader van de vaststelling van de onderhavige goodwill. Naar het oordeel van het hof gaat belanghebbende in zijn berekeningen teveel uit van onzekere factoren in de toekomst, dus na 1 januari 1999, te meer nu het gaat om een garagebedrijf dat op laatstgenoemde datum nog maar ruim een jaar bestaat. Een vergelijking met andere autobedrijven die reeds langer worden geëxploiteerd is dan evenmin geïndiceerd. Dat het bij de twee door belanghebbende in zijn beroepschrift genoemde voorbeelden gaat om bedrijven die ook nog maar relatief kort werden geëxploiteerd is noch gesteld noch aannemelijk geworden. Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat naar het oordeel van het hof bij een onderneming als de onderhavige sprake is van zekere conjunctuurgevoeligheid. Als de besteedbare inkomens teruglopen, zal een autobedrijf daar immers zeker de gevolgen van ondervinden. Onder de gegeven omstandigheden is ook de door de inspecteur gebruikte factor 2 reëel te noemen. Dit geldt evenzeer voor de door de inspecteur bepaalde rente eigen vermogen ad

f 31.822,-. Het hof ziet in casu geen aanleiding een andere factor of een ander bedrag aan rente te hanteren.

Gelet op de onder 2.2 en 2.3 vermelde ondernemersactiviteiten en de positie van belanghebbende en zijn echtgenote in het onderhavige autobedrijf (het bedrijf wordt door hen gedreven), in onderlinge samenhang en verband bezien met de hoogte van de in het verleden door belanghebbende genoten inkomsten toen hij als autoverkoper in dienstbetrekking werkzaam was en door echtgenote toen zijn meewerkte in de eenmanszaak van haar man, is naar het oordeel van het hof een arbeidsbeloning voor belanghebbende en zijn echtgenote tezamen van f 327.000,- passend.

Het hof kan de inspecteur niet volgen in zijn standpunt dat in het kader van de hiervoor vermelde berekening van de goodwill vennootschapsbelasting in mindering gebracht dient te worden.

De goodwill dient derhalve ter worden gesteld op f 410.546,- (de factor 2 x f 205.273,-) is

f 205.273,- per firmant.

Mitsdien is een goodwill, in het kader van de bepaling van de onderhavige verkrijgingsprijs, van

f 500.000,- ( f 250.000,- per firmant) niet te laag.

4.2. Er bestaat voor het hof ook overigens geen aanleiding de beschikking te herzien. Daarbij merkt het hof nog op dat in het onderhavige geval een belastinglatentie van 20% van de goodwill en de boekwinst materiële activa op zijn plaats is. Het hof ziet in casu geen aanleiding een hoger percentage in aanmerking te nemen.

Nu er voor het hof overigens geen reden is aan de juistheid van de door de inspecteur op bladzijde 12b van het verweerschrift (onder "indien goodwill") aangegeven berekening en bedragen te twijfelen, dient de verkrijgingsprijs als volgt te worden berekend:

Eigen vermogen f 43.625,-

Goodwill (half aandeel) - 205.273,-

Boekwinst materiële activa (half aandeel) - 266.624,-

Af: latentie belastingschuld 20% -/_ - 94.379,-

Af: creditering -/_ - 16.262,-

Verkrijgingsprijs aandelen f 404.881,-

De verkrijgingsprijs is in de onderhavige beschikking derhalve niet te laag vastgesteld.

4.3. Het gelijk ligt aan de kant van de inspecteur.

4.4. Er zijn geen termen aanwezig te komen tot een veroordeling tot betaling van gemaakte proceskosten.

5. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Gedaan op 18 juni 2003 door mr H.H.A. Fransen, raadsheer als voorzitter, mr H.S. Pruiksma, vice-president, en mr F.J.W. Drion, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mw mr H. de Jong als griffier, en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde voornoemde griffier buiten staat te ondertekenen.

Op 25 juni 2003 afschrift aangetekend aan

beide partijen gezonden.