Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH8684

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
BK 783/01 Inkomstenbelasting/Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

3.1. In geschil is ten eerste het antwoord op de vraag of de inspecteur voor de jaren 1995 tot en met 1998 terecht tot navordering kon overgaan en ten tweede het antwoord op de vraag op wie te dezen de bewijslast rust.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen 49
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1110
FutD 2003-1213
V-N 2003/51.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 783/01 20 juni 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraken van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de hem voor de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegde navorderingsaanslagen, voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekering opgelegde aanslag en voor de periode 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999 in de omzetbelasting opgelegde naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1995, 1996, 1997, 1998, navorderingsaanslagen opgelegd naar

voor het jaar 1995 een belastbaar inkomen van ƒ. 123.452,--;

voor het jaar 1996 een belastbaar inkomen van ƒ. 124.209,--;

voor het jaar 1997 een belastbaar inkomen van ƒ. 137.055,--;

voor het jaar 1998 een belastbaar inkomen van ƒ. 145.695,--.

Voor het jaar 1999 is aan belanghebbende in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ. 139.828,--. Voorts is aan belanghebbende voor de periode 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ. 36.630,-- aan enkelvoudige belasting.

1.2. Op de tijdig ingediende bezwaarschriften van belanghebbende heeft de inspecteur bij de zes bestreden uitspraken (waarvan vier op 12 september 2001 zijn gedagtekend, één op 13 september 2001 is gedagtekend en één de dagtekening 3 oktober 2001 draagt) de onder punt 1.1 bedoelde aanslagen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij één (pro forma) beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 17 oktober 2001 is ingekomen. Bij brief, ingekomen ter griffie op 12 november 2001, heeft belanghebbende zijn beroepschrift voorzien van de gronden van het beroep.

1.4. Ter griffie is op 20 december 2001 een verweerschrift van de inspecteur ingekomen.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 19 maart 2003, gehouden te Leeuwarden. Aldaar waren aanwezig belanghebbende en zijn echtgenote, vergezeld door de gemachtigde alsmede de inspecteur die werd vergezeld door de heren A en B. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.6. Het hof heeft in deze zaak op 2 april 2003 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 16 april 2003, aan partijen is verzonden.

1.7. Bij schrijven ingekomen op 25 april 2003 heeft de inspecteur op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.8. De griffier heeft de inspecteur bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 1 mei 2003, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de inspecteur heeft vervolgens op 16 mei 2003 dat griffierecht voldaan.

1.9. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

In het jaar 2000 heeft de belastingdienst landelijk speciale controle gericht op rijscholen. Daartoe is branche-informatie verzameld onder de naam Periodiek Rijopleidings Onderzoek door C BV. Hieruit kwam naar voren dat in de provincie Friesland een gemiddeld aantal rijlessen van 34 wordt gegeven voor het eerste examen en 9 voor het tweede examen. De kans van slagen voor een examen is 44%, terwijl gemiddeld 2,1 maal examen wordt gedaan voor het behalen van het rijbewijs.

Belanghebbende, geboren in 19.., exploiteert sinds 1979 in de vorm van een eenmanszaak een autorijschool. Hij heeft geen personeel in dienst en fungeert als enige instructeur. Ten gevolge van de eerder bij belanghebbende ingestelde boekenonderzoeken is steeds een omzetcorrectie aangebracht omdat de inspecteur hiaten in de omzetverantwoording constateerde. Ter zake van die correcties zijn belanghebbende en de inspecteur steeds in compromis tot een vergelijk gekomen.

In de tweede helft van het jaar 2000 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld ter zake van, onder meer, de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de inkomstenbelasting voor de jaren 1995 tot en met 1999. Het verslag van dit onderzoek is op 18 mei 2001 aan belanghebbende meegedeeld.

Bij het boekenonderzoek is geconstateerd dat de door belanghebbende in de boekhouding verwerkte gegevens uitkomen op een per les hoger aantal gereden kilometers dan gemiddeld, blijkende uit het onderzoek van C, hetgeen ook bij vorige boekenonderzoeken bleek, zodat als gevolg daarvan minder lessen en minder omzet zijn verantwoord dan uit een op het onderzoek van C gebaseerde theoretische berekening zou moeten volgen. Tevens is het volgende geconstateerd:

- de omzet wordt wekelijks geboekt en er vindt geen dagelijkse kascontrole plaats

- bij de wekelijkse kascontrole blijken wel eens geringe verschillen, het boeksaldo stemt niet overeen met het daadwerkelijke saldo

- de betalingen aan het CBR en de stortingen voor privé worden, in afwijking van de werkelijkheid, aan het eind van de week geboekt

- er wordt geen leerlingenadministratie of lesvordering per leerling bijgehouden

- de agenda van belanghebbende bevat summiere gegevens voor wat betreft betaling van lesgelden en de plaats waar leerlingen voor de lessen worden opgehaald

- sinds 1990 wordt er een vast bedrag van f.500,-- per week opgenomen voor privé.

De inspecteur heeft in de onderhavige periode zichtwaarnemingen laten verrichten waaruit blijkt dat alle waarnemingen van belanghebbende, rijdende met leerlingen, overeenkomen met in de administratie opgenomen les- en omzetverantwoordingen.

Buiten de hiervoor genoemde geringe kasverschillen zijn geen verdere concrete fouten in de administratie van belanghebbende geconstateerd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is ten eerste het antwoord op de vraag of de inspecteur voor de jaren 1995 tot en met 1998 terecht tot navordering kon overgaan en ten tweede het antwoord op de vraag op wie te dezen de bewijslast rust.

3.2. Voor een weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de van partijen afkomstige stukken alsmede het proces-verbaal van de zitting.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. In artikel 16, eerste lid, van de AWR is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen, tenzij dat feit de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2. Belanghebbende stelt dat de inspecteur, die zulks ontkent, van het bij het boekenonderzoek geconstateerde op de hoogte had kunnen zijn, daar deze constateringen niet of nauwelijks afweken van hetgeen bij de eerdere boekenonderzoeken werd geconstateerd. De inspecteur had, in de visie van belanghebbende, derhalve de plicht de aangiften voor de inkomstenbelasting van belanghebbende op dit punt dienen te onderzoeken.

4.3. Het constateren van tekortkomingen in het verleden, die met belanghebbende of diens gemachtigde destijds ook zijn besproken, leidt er niet toe dat op de inspecteur de plicht is gaan rusten om latere aangiften op die punten speciaal te gaan onderzoeken. De uit het onderzoek van C blijkende gegevens, in samenhang met het boekenonderzoek in de periode 2000/2001, leveren voor de inspecteur een feit op als bedoeld in artikel 16 van de AWR. In zoverre kon de inspecteur derhalve terecht besluiten de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen.

4.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 52 van de AWR is belanghebbende gehouden van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf naar de eisen van dat bedrijf een administratie te voeren op zodanige wijze dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Voorts dienen, ingevolge het bepaalde in de artikelen 47 en 49 van de AWR, door de inspecteur gevraagde inlichtingen door belanghebbende te worden verstrekt binnen een door de inspecteur te stellen termijn.

4.5. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet aan het bepaalde in de artikelen 49 en 52 van de AWR heeft voldaan en concludeert dat het hof op grond van het bepaalde in artikel 27e van de AWR derhalve het beroep ongegrond dient te verklaren.

4.6. Naar 's hofs oordeel zijn de bij het boekenonderzoek gedane constateringen, die behoudens de geringe kasverschillen, niet hebben geleid tot concrete onjuistheden in de administratie van belanghebbende, niet van een zodanig gewicht dat daarvan gezegd moet worden dat aan het bepaalde in artikel 52 van de AWR niet is voldaan. Nu de daarin omschreven verplichting slechts geldt met betrekking tot de belastingheffing, is niet van belang in hoeverre belanghebbendes positie ten opzichte van zijn cliënten in geding kan komen door de wijze van administreren van de financiën.

4.7. De door de inspecteur van belanghebbende gevraagde gegevens, die belanghebbende wegens ontbreken daarvan niet heeft kunnen verstrekken, kunnen wegens dat ontbreken niet zonder meer leiden tot het niet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 47 en 49 van de AWR. Naar 's hofs oordeel heeft de inspecteur zijn standpunt in dezen bepaald aan de hand van door hem van belanghebbende gevraagde gegevens die niet zijn te rangschikken onder de ingevolge artikel 52 van de AWR als naar de eisen van belanghebbendes bedrijf te administreren gegevens. Van strijd met de artikelen 47 en 49 van de AWR kan te dezen derhalve niet worden gesproken.

4.8. De inspecteur heeft voorts gesteld dat de uit belanghebbendes administratie blijkende gegevens in zodanige mate afwijken van het branchegemiddelde, dat het aan belanghebbende is om daarvan een verklaring te geven. Belanghebbende heeft daaraan gevolg gegeven, doch zonder te specificeren in afzonderlijke gevallen en zonder daaraan berekeningen ten grondslag te leggen.

4.9. Nu de inspecteur in de administratie van belanghebbende, behoudens de geringe kasverschillen, geen concrete onjuistheden heeft geconstateerd en daarenboven bij het maken van een theoretische omzetberekening, die aanhaakt bij branchegemiddelden in de regio waar belanghebbende werkzaam is, uitkomt op een werkweek van 70 uren voor belanghebbende, alsmede nu de zichtwaarnemingen van belanghebbende in de administratie blijken te zijn verwerkt, heeft de inspecteur naar 's hofs oordeel onvoldoende feiten aannemelijk gemaakt die grond opleveren voor het vermoeden dat te weinig belasting is geheven (navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1995 tot en met 1998 alsmede naheffingsaanslag omzetbelasting 1996 tot en met 1999). Voorts heeft de inspecteur daardoor voor de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1999 ten onrechte op het aangegeven inkomen een winstcorrectie aangebracht.

4.10. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dienen de uitspraken op bezwaar te worden vernietigd, evenals de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting voor de jaren 1995 tot en met 1998 en de naheffingsaanslag in de omzetbelasting, en dient de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1999 te worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f.100.360,--.

5. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt op €.966,-- en welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraken waarvan beroep;

vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995;

vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996;

vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997;

vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998;

vernietigt de naheffingsaanslag omzetbelasting 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999;

vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f.100.360,-- (€.45.541,38);

gelast dat het betaalde griffierecht ad f.225,-- (€.102,10) aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op €.966,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 20 juni 2003 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer als voorzitter, mrs J. Huiskes en H.H.A. Fransen, raadsheren en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 25 juni 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.