Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AH8683

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
BK 627/01 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende de onder 2.6 genoemde factoren alsnog ter eerste zitting te berde mocht brengen en of met deze factoren rekening moet worden gehouden bij de berekening van de stakingswinst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1212

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 627/01 20 juni 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (Denemarken), tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 280.423,-, waarvan f 223.449,- werd belast naar het bijzondere tarief van 45%.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 30 juli 2001 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 4 september 2001 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 29 november 2001.

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de eerste mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 9 oktober 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en een collega, alsmede de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Bij deze pleitnota heeft belanghebbende een aantal bijlagen overgelegd. Het hof heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op de pleitnota met bijlagen van belanghebbende, hetgeen de inspecteur heeft gedaan bij brief van 6 december 2002 (met bijlagen). Daarop heeft belanghebbende weer gereageerd bij brief van 7 februari 2003.

Vervolgens heeft de tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 10 april 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft daarnaast Deense jaarstukken overgelegd over het jaar 2002.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende, geboren op . juni 19.. en gehuwd, dreef een boerenbedrijf te L. Het bedrijf betrof een melkvee- en vleesvarkenshouderij.

2.3 In 1998 is belanghebbende begonnen met de staking van zijn bedrijf, welke staking in 1999 is voltooid.

2.4 Als tegenprestatie voor de verkoop en levering van bedrijfsactiva aan de Stichting A is door belanghebbende onder meer een renteloze lening bedongen. Deze lening bedroeg f 400.000,-, welke in 20 jaarlijkse termijnen van f 20.000,- moet worden afgelost.

2.5 In verband met het voordeel dat belanghebbende geniet in verband met de renteloze lening heeft de inspecteur de aangegeven stakingswinst verhoogd met f 155.956,-.

2.6 De renteloze lening kan eerder opeisbaar worden in geval van

- overlijden schuldenaar;

- faillissement of surséance schuldenaar;

- verkoop bedrijf in Denemarken zonder (tijdige) herinvestering.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende de onder 2.6 genoemde factoren alsnog ter eerste zitting te berde mocht brengen en of met deze factoren rekening moet worden gehouden bij de berekening van de stakingswinst. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter tweede zitting zijn partijen overeengekomen dat voor het geval het gelijk in beginsel aan de zijde van belanghebbende is, de waardedrukkende invloed van genoemde factoren op f 10.000,- in totaal kan worden gesteld en dat in dat geval geen proceskostenveroordeling betreffende de beroepsfase behoeft te worden verleend. Ter tweede zitting heeft belanghebbende voorts zijn verzoek tot proceskostenveroordeling betreffende de bezwaarfase ingetrokken.

3.3 Belanghebbende concludeert tot verlaging van de aanslag.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Het hof is van oordeel dat belanghebbende de invloed van de onder 2.6 genoemde factoren nog wel ter eerste zitting naar voren mocht brengen daar deze verband houden met het oorspronkelijke geschilpunt, te weten de omvang van het onder 2.5 genoemde voordeel.

4.2 Genoemde factoren hebben naar het oordeel van het hof een waardedrukkende invloed op dit voordeel. Anders dan de inspecteur stelt is er sprake van meer dan alleen een algemeen overlijdens-, ziekte- en arbeidsongeschiktheidsrisico.

4.3 Het gelijk is derhalve in beginsel aan de zijde van belanghebbende. Gelet op het onder 3.2 vermelde dient de stakingswinst derhalve te worden verminderd met f 10.000,-.

4.4 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, gelet op het onder 3.2 vermelde.

6. De beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 270.423,-, waarvan f 213.449,- te belasten naar het bijzondere tarief van 45%; en

gelast dat het betaalde griffierecht ad € 27,23 aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur.

Aldus vastgesteld op 20 juni 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W Drion en mw. mr. G.M. van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 25 juni 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.