Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AG3267

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2003
Datum publicatie
20-06-2003
Zaaknummer
24-001338-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer, verkoop, aflevering en verstrekking van cocaïne.

Het hof is van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, uit een oogpunt van normhandhaving een passende bestraffing is.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001338-02

Arrest d.d. 19 juni 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 12 december 2002 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

(volgens eigen opgave) wonende te [adres],

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh, te Hoogeveen, Kinholtsweg 7,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een maatregel, een en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel

De verdachte is d.d. 13 december 2002 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 5 juni 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode 1 januari 2001 tot en met 28 juli 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in het arrondissement Groningen, meermalen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I.

2.

hij in de periode 1 januari 2000 tot en met 28 juli 2002 in de gemeente Groningen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en/of verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert respectievelijk op de misdrijven:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft verdachte terzake van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde - en door de rechtbank bewezenverklaarde - feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Verdachte is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Ter 's hofs terechtzitting heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte, terzake van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Het hof heeft in hoger beroep - met bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde - de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer, verkoop, aflevering en verstrekking van cocaïne.

Verdachte heeft door zijn handelwijze de internationale handel in verdovende middelen bevorderd en aldus, nu het ook tot daadwerkelijke invoer en verspreiding van voormelde stof in Nederland is gekomen, de gezondheid van anderen in gevaar gebracht. Van cocaïne is algemeen bekend dat deze drug verslavend werkt en voor de gezondheid van gebruikers daarvan een zeer schadelijke stof is. Bovendien is de handel in, en het gebruik van cocaïne bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Verdachte heeft - zowel door het invoeren van cocaïne in Nederland als door dealen in cocaïne in Groningen - de maatschappij bewust aan deze risico's blootgesteld, en zich daarbij kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.

Het hof acht het in dit verband bovendien zeer kwalijk dat verdachte de feitelijke invoer van de cocaïne - al dan niet door middel van het slikken van bolletjes - liet verrichten door daartoe doelbewust aangezochte personen die zich in een afhankelijke en kwetsbare positie bevonden. Verdachte heeft er voorts kennelijk geen bezwaar in gezien zijn koeriers bloot te stellen aan het risico dat een bolletje cocaïne in hun lichaam zou kunnen knappen. Algemeen bekend is dat dit veelal leidt tot de dood van de bolletjesslikker.

Het hof rekent het verdachte voorts aan dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 3 april 2003 eerder is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet en dat de eerder opgelegde straf kennelijk niet tot veranderingen in zijn gedrag heeft geleid.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof bovendien acht geslagen op het voorlichtingsrapport d.d. 27 mei 2003 van de reclassering Nederland.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen - in onderling verband bezien - is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, uit een oogpunt van normhandhaving een passende bestraffing is. Deze bestraffing is tevens in overeenstemming met straffen die het hof in soortgelijke gevallen pleegt op te leggen.

Onttrekking aan het verkeer

Het door het hof aan het verkeer te onttrekken voorwerp (te weten cocaïne) is daarvoor vatbaar. Immers, met betrekking tot dit voorwerp zijn de hiervoor bewezenverklaarde feiten begaan en het is van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet.

De uitspraak

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart aan het verkeer onttrokken het navolgende inbeslaggenomen voorwerp:

* aantal: 1; soort: cocaïne; kleur: wit; serienummer: [serienummer]; bijzonderheden: minus monster NF1;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Koolschijn, voorzitter, Van Haastert en Ellenbroek, in tegenwoordigheid van mr. De Groot als griffier, zijnde mr. Van Haastert voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.