Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AG1670

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
BK 147/03 Parkeerbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid beroepschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 147/03 13 juni 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het verzet gedaan door X te Z tegen de uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer van 4 april 2003.

De belastingkamer van het hof heeft voormelde uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Groningen te Groningen (hierna te noemen: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting over het jaar 2002.

Ingevolge de artikelen 26, eerste lid, en 26c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (nader: de AWR) juncto de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (nader: de Awb) kan hij, die bezwaar heeft tegen een uitspraak van het hoofd binnen zes weken na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep komen bij de rechter tot wiens rechtsgebied de standplaats van het hoofd behoort.

De uitspraak van het hoofd is gedagtekend op 14 november 2002 en het beroepschrift is bij het hoofd inkomen op 6 februari 2003, derhalve niet binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak.

Om die reden heeft de belastingkamer bij voormelde uitspraak het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak is belanghebbende tijdig in verzet gekomen bij

een verzetschrift dat is ingediend op 15 mei 2003.

Het hoofd heeft bij schrijven van 4 juni 2003 medegedeeld geen aanleiding te zien om te reageren op het verzetschrift.

Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling van de zaak en het hof ziet daartoe geen aanleiding.

De belanghebbende stelt in zijn verzetschrift dat de naheffingsaanslagen twee maal aan hem zijn opgelegd op verschillende tijden. Hij was werkzaam in de betreffende straat en hij mocht daar, volgens hem, laden en lossen.

Het hof is van oordeel dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden aanvoert die aan de gepleegde termijnoverschrijding een verschoonbaar karakter verlenen.

Beroep had ingesteld dienen te worden binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak van het hoofd.

Nu de uitspraak was gedagtekend 14 november 2002 had belanghebbende op of voor 26 december 2002 beroep moeten aantekenen. Het beroep is pas op 6 februari 2003 bij het hoofd ingekomen, derhalve te laat.

Het verzet tegen de uitspraak van het hof van 4 april 2003 is daarom ongegrond.

Op grond van het vorenoverwogene dient te worden beslist als volgt:

Het gerechtshof, uitspraak doende, verklaart het verzet ongegrond.

Gedaan op 13 juni 2003 door mr. Pruiksma, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Lorist en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 18 juni 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.