Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AG0212

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
17-06-2003
Zaaknummer
Rekestnummer 0200220
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw, nu de man slechts de donor en niet (tevens) de verwekker is in de zin van artikel 1:394 BW van het kind [kind 2], niet kan worden ontvangen in haar inleidend verzoek voor zover zij daarin een bijdrage vraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 2].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 juni 2003

Rekestnummer 0200220

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna ook te noemen: de man,

toevoeging,

procureur mr R.A. Schütz,

advocaat mr J.H.A. de Jong,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna ook te noemen: de vrouw,

toevoeging,

procureur mr J.V. van Ophem,

advocaat mr J. Doornbos.

Het geding in eerste aanleg

Bij (tussen)beschikking van 3 juli 2001 heeft de rechtbank te Groningen - voorzover hier van belang - voorlopig de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], geboren op 29 augustus 1993, met ingang van 10 januari 2001 bepaald op ( 250,- per maand en voorts bevolen dat een onderzoek zal geschieden door een deskundige (en daartoe benoemd dr G.G. de Lange, hoofd van de afdeling Immunogenetica en verbonden aan het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst van Het Nederlandse Rode Kruis te Amsterdam) naar de samenstelling van het bloed wat betreft bloed- en HLA antigenen van de man, de vrouw en het kind [kind 2], geboren op 7 juni 1997, met beantwoording van de vraag hoe groot op grond van de resultaten van dat onderzoek de waarschijnlijkheid is dat de man de verwekker is van dit laatste kind en iedere overige beslissing aangehouden.

Bij beschikking van 10 juni 2002 heeft de rechtbank te Groningen de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen [kind 1] en [kind 2] met ingang van 10 januari 2001 bepaald op € 113,45 per kind per maand en voorts de kosten van de deskundige bepaald op € 1.157,- en de man veroordeeld tot betaling van die kosten aan de rechtbank te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 juli 2002, heeft de man verzocht de beschikkingen van 3 juli 2001 en 10 juni 2002 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw dient te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 1] ten bedrage van € 113,45 per maand, dat de man aan de vrouw geen bijdrage is verschuldigd in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 2] en tot slot te bepalen dat de kosten van de deskundige ad € 1.157,- voor rekening komen van de Staat der Nederlanden, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2002, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de beschikkingen van de rechtbank te Groningen van 3 juli 2001 en 10 juni 2002, al dan niet met verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bekrachtigen en het hoger beroep van de man af te wijzen alsmede de man te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 14 november 2002 is de zaak behandeld.

De beoordeling

1. Uit de relatie van partijen is op 29 augustus 1993 [kind 1] geboren. De man heeft [kind 1] op 30 augustus 1993 erkend. Op 8 september 1993 zijn partijen gehuwd. [kind 1] is door dit huwelijk gewettigd.

Bij beschikking van 16 april 1996 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 1 juli 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van 27 november 1997 is de vrouw alleen belast met de uitoefening van de ouderlijk gezag over [kind 1].

Op 7 juni 1997 is [kind 2] geboren. De vrouw heeft van rechtswege het ouderlijk gezag over [kind 2].

2. De vrouw heeft bij inleidend verzoek de rechtbank verzocht een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] vast te stellen.

* met betrekking tot de bijdrage ten behoeve van [kind 1]

3. Gelet op de stukken van het geding is thans tussen partijen niet meer in geschil dat de man aan de vrouw een bijdrage van € 113,45 per maand in de kosten van opvoeding en verzorging van [kind 1] dient te betalen.

* met betrekking tot de bijdrage ten behoeve van [kind 2]

4. Nadat uit het daartoe bij de beroepen (tussen)beschikking van 3 juli 2001 bevolen deskundigenonderzoek is gebleken dat de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van [kind 2], heeft de rechtbank bij de beroepen beschikking van 10 juni 2002 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] vastgesteld.

5. In hoger beroep spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of de man als verwekker in de zin van artikel 1:394 BW van [kind 2] kan worden aangemerkt, met alle consequenties van dien.

6. Artikel 1:394 BW bepaalt - voor zover in de onderhavige zaak van belang - dat de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, verplicht is als ware hij ouder tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.

7. Gelet op de behandeling ter zitting in hoger beroep en de stukken van het geding is tussen partijen niet (langer) in geschil dat de vrouw zwanger is geworden door kunstmatige inseminatie met het zaad van de man en dat uit deze zwangerschap [kind 2] is geboren. Vast staat derhalve dat de man de biologische vader is van [kind 2].

Verder is tussen partijen niet in geschil dat [kind 2] uitsluitend zijn moeder, de vrouw, als (juridische) ouder heeft.

8. De man stelt echter dat hij als zaaddonor weliswaar de biologisch vader is van [kind 2], maar dat hij als donor niet is de verwekker in de zin van artikel 1:394 BW. De man concludeert dan ook dat hij jegens [kind 2] niet onderhoudsplichtig is.

9. De vrouw voert hiertegen aan, dat voor het maken van onderscheid tussen de zaaddonor en de verwekker, niet in alle gevallen de wijze van het (laten) ontstaan van het kind het doorslaggevende criterium kan zijn. De vrouw is van mening dat bij de beoordeling of er sprake is van donorschap, dan wel (tevens) van verwekkerschap de intentie van partijen (mede) bepalend is en doorslaggevend dient te zijn. In het onderhavige geval, zo zegt de vrouw, hadden partijen de intentie dat de man in alle opzichten de vader van het kind zou zijn en derhalve is de man (gelijk te stellen met) de verwekker in de zin van artikel 1:394 BW.

10. De staatssecretaris van het Ministerie van Justitie heeft - naar aanleiding van een pleidooi van Prof. mr J. de Boer voor invoering van een alimentatieplicht voor bekende donoren, NJB 1997, p. 1762 - in een nadere Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer (vergaderjaar 1997-1998, 24 649, nr 11d, p.1/2) in dit verband het volgende opgemerkt:

"In het onderhavige wetsvoorstel is een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de biologische vader, de verwekker en de donor. Overkoepelend begrip is het biologische vaderschap. Zowel de verwekker als de donor zijn biologisch de vader van het kind. De verwekker is degene die zelf het kind heeft verwekt, de donor per definitie niet. Jegens de verwekker kan een onderhoudsplicht worden vastgesteld.

(...)

Een donor is niet onderhoudsplichtig jegens het kind..

(...)

Bij het doordenken van de positie van donoren is geen onderscheid gemaakt tussen onbekende, bekende en "goede bekende" - donoren. Niet voor zover het betreft alimentatieplicht, ook niet waar het betreft de mogelijkheid van vervangende toestemming en van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap."

11. Bij beschikking van 24 januari 2003 (nr. R02/007HR, JOL 2003,51) heeft de Hoge Raad der Nederlanden - in een zaak betrekking hebbende op de (vervangende toestemming tot) erkenning van een kind door de biologische vader - als oordeel gegeven dat de verwekker van een kind uitsluitend is de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan.

De Hoge Raad overwoog dat het hof met juistheid had geoordeeld, dat de wetgever aan het begrip "verwekker" uitdrukkelijk een beperkte betekenis heeft toegekend, namelijk uitsluitend die van de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan en dat deze beperkte betekenis geen ruimte biedt om onder dit begrip tevens de donor te verstaan.

12. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw, nu de man slechts de donor en niet (tevens) de verwekker is in de zin van artikel 1:394 BW van het kind [kind 2], niet kan worden ontvangen in haar inleidend verzoek voor zover zij daarin een bijdrage vraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 2].

* met betrekking tot de kosten van het in eerste aanleg bevolen deskundigenonderzoek naar het biologische vaderschap van de man

13. Gelet op de standpunten van partijen in eerste aanleg, lag het in de rede een onderzoek te laten verrichten naar het biologische vaderschap van de man. Immers, was de man niet de biologische vader van [kind 2], dan kon hij (reeds om die reden) geen verwekker zijn in de zin van artikel 1:394 BW. Hoewel enerzijds op grond van de uitkomst van het onderzoek is komen vast te staan dat de man de biologische vader is van [kind 2] -hetgeen aanvankelijk in geschil was tussen partijen- is anderzijds hiervoor beslist dat de man niet onderhoudsplichtig is voor [kind 2] nu hij niet de verwekker is als bedoeld in artikel 1:394 BW. In het licht van het vorenstaande en gelet op het onder 14 overwogene, acht het hof het redelijk dat elk der partijen de kosten van het deskundigenonderzoek bij helfte draagt. Gelet op al het vorenoverwogene is er geen aanleiding de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van de staat te brengen.

* met betrekking tot de kosten van het geding in beide instanties

14. Nu partijen gewezen partners zijn en de man en de vrouw de biologische ouders zijn van het kind [kind 2], dienen voorts de overige kosten van het geding in beide instanties te worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

15. Op grond van het vorenstaande dient de beroepen (tussen)beschikking van 3 juli 2001 te worden bekrachtigd. Voorts dient de beroepen beschikking van 10 juni 2002 te worden vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 2] en de man is veroordeeld tot betaling van de kosten van de deskundige.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep van 3 juli 2001;

vernietigt de beschikking waarvan beroep van 10 juni 2002 voor zover daarbij een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 2], geboren op 7 juni 1997, is bepaald en voor zover daarbij is bepaald dat de man de kosten draagt van het deskundigenonderzoek;

en in zoverre opnieuw beslissende:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar inleidend verzoek tot het vaststellen van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige [kind 2];

bepaalt terzake de kosten van het deskundigenonderzoek dat zowel de man als de vrouw uiterlijk binnen één maand na de datum van deze uitspraak een bedrag van € 578,50 dient te storten op rekening van de Rechtbank Groningen met nummer 1923.25.825;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

bepaalt dat de overige kosten van het geding in beide instanties worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door de mrs Bloem, voorzitter, Melssen en Postma, raden en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 11 juni 2003.