Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AG0150

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2003
Datum publicatie
16-06-2003
Zaaknummer
BK 295/99 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de beloning van ƒ 20.696, - belast dient te worden in het jaar 1996 of in het jaar 1997. Belanghebbende staat het jaar 1996 voor, de inspecteur het jaar 1997. De vraag spitst zich toe op de vraag wanneer het bedrag vorderbaar en inbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1169
V-N 2003/31.3.6
V-N 2003/42.1.13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 295/99 12 juni 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

Belanghebbende werd op 27 november 1998 voor het jaar 1997 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, van ƒ 73.029, -. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 27 april 1999 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze in beroep gekomen door middel van een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 26 mei 1999 bij het hof is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 15 maart 2001, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, belanghebbende en de inspecteur. Ingevolge artikel 14 Wet administratieve rechtspraak belastingzaken heeft het hof bij brief van 21 maart 2001 schriftelijke vragen gesteld aan een derde. Het hof heeft op 9 april 2001 een reactie daarop ontvangen, waarop partijen schriftelijk hebben gereageerd. Vervolgens heeft op 21 januari 2002 de verdere mondelinge behandeling plaatsgevonden, alwaar opnieuw aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, belanghebbende en de inspecteur. Het hof heeft op 6 maart 2003 de heer A als getuige gehoord, nadat deze ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken was opgeroepen. Van de verklaring van de heer A is een proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing door hem is ondertekend.

Het hof heeft in deze zaak op 20 maart 2003 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 3 april 2003, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 8 april 2003 heeft de inspecteur op de wijze als bedoeld in artikel 17b van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Op 2 mei 2003 heeft hij het daartoe verschuldigde griffierecht ad € 142 voldaan.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelde) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende is tot 1 januari 1997 als autoverkoper in dienstbetrekking werkzaam geweest bij B B.V. te L. Op 31 december 1996 is deze dienstbetrekking beëindigd. Uit zijn arbeidsovereenkomst blijkt dat hij, naast zijn basissalaris van ƒ 2.875, - per maand, recht had op provisie berekend over het aantal door hem verkochte auto's. Tevens blijkt dat hij recht had op provisie berekend over de wegens zijn bemiddeling tot stand gekomen financieringscontracten. In de arbeidsovereenkomst is niets opgenomen over het tijdstip van betaling van voormelde provisie. De provisie werd doorgaans betaald in het begin van het jaar volgend op het jaar, waarop de provisie betrekking had.

2.2 Op 1 januari 1997 is belanghebbende in dienst getreden bij C B.V. te M. Begin 1997 ontving belanghebbende van B B.V. onder inhouding van loonheffing ten bedrage van ƒ 7.497, - een bedrag van ƒ 20.696, -. Dit bedrag bestaat uit de provisie over het totale aantal door hem in het jaar 1996 verkochte auto's, uit de provisie over afgesloten financieringscontracten, uit een afrekening van niet opgenomen vakantiedagen en uit zijn vakantietoeslag.

2.3 Belanghebbende heeft het bedrag van ƒ 20.696, - niet aangegeven over het jaar 1997.

2.4 Partijen verschillen niet van mening over de belastbaarheid en over de hoogte van het bedrag van ƒ 20.696, -. Hen houdt verdeeld het antwoord op de vraag aan welk jaar de beloning dient te worden toegerekend.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is het antwoord op de vraag of de beloning van ƒ 20.696, - belast dient te worden in het jaar 1996 of in het jaar 1997. Belanghebbende staat het jaar 1996 voor, de inspecteur het jaar 1997. De vraag spitst zich toe op de vraag wanneer het bedrag vorderbaar en inbaar is.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Artikel 33, eerste lid onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat inkomsten worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden.

4.2 Niet in geschil is dat belanghebbende in 1996 in dienstbetrekking van B B.V. auto's heeft verkocht en heeft bemiddeld in financieringscontracten en dat hij daarmee een bepaald bedrag aan provisie heeft verdiend naast zijn basissalaris en vakantietoeslag. Ook niet in geschil is dat hij bij het einde van zijn arbeidscontract recht had op een geldsbedrag voor niet opgenomen vakantiedagen. Niet gebleken is dat voormelde rechten van een voorwaarde of tijdsbepaling afhankelijk zijn gesteld of dat het tijdstip van genieten uitdrukkelijk door partijen is vastgesteld. Nu de arbeidsovereenkomst per 31 december 1996 is beëindigd, heeft belanghebbende, naar het oordeel van het hof, onder voormelde omstandigheden ultimo 1996 een in rechte vorderbaar recht op de provisie, de vakantietoeslag en de niet opgenomen vakantiedagen gekregen. Het bedrag van ƒ 20.696, - is mitsdien ultimo 1996 vorderbaar.

4.3 Voor inbaarheid in 1996 is beslissend of de onder punt 4.2 omschreven vorderingen door B B.V. op verzoek van belanghebbende zonder enig verwijl in 1996 zouden kunnen worden betaald. De heer A, administrateur van belanghebbende heeft als getuige verklaard dat de administratie zodanig was ingericht dat hij per maand kon nagaan hoe de stand van de provisie per verkoper was. Weliswaar kwamen, volgens hem, tussentijdse afrekeningen van de provisie niet voor, maar waren de onderlinge verhoudingen van dien aard dat als iemand een tussentijdse afrekening zou willen hebben, dat wel mogelijk zou zijn. Het hof acht daarmee aannemelijk dat belanghebbende de door hem in 1996 verdiende provisie op 31 december 1996 geïnd zou kunnen hebben. Er zijn geen feiten aannemelijk geworden die op het tegendeel wijzen. Wat betreft de vakantiedagen en -toeslag zijn geen feiten gesteld, dan wel aannemelijk geworden die erop wijzen dat de vorderingen daartoe door B B.V. niet zonder enig verwijl in 1996 zouden kunnen worden betaald.

4.4 Gelet op de vorderbaarheid en inbaarheid van het bedrag van ƒ 20.696, - in 1996, dient dit bedrag belast te worden in het jaar 1996. Het gelijk is aan belanghebbende. Zijn beroep treft doel.

4.5 Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde van belanghebbende beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Het hof stelt derhalve op grond van artikel 1, onderdelen c en d, van het Besluit proceskosten fiscale procedures de proceskosten als volgt vast: reiskosten voor het bijwonen van de mondelinge behandelingen en het getuigenverhoor, zijnde 2 x 120 km x € 0,28 = 67,20 en 1 x 50 km x € 0,28 = € 14,00 en verletkosten van belanghebbende voor het bijwonen van twee zittingen, in redelijkheid geschat op € 100,00. De tegemoetkoming in de proceskosten bedraagt in totaal € 181,20. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

5. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de onderliggende aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 52.333, - (€ 23.747,68), onder verrekening van een bedrag aan loonbelasting en premie van f 17.516,-- (€ 7.948,41);

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het griffierecht van € 38,57 (ƒ 85, -) vergoedt; en

- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten van belanghebbende, te bepalen op een bedrag van € 181,20 te betalen door de Staat der Nederlanden.

Gedaan op 12 juni 2003 door prof. mr. Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mr. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 12 juni 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.