Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF9668

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
BK 15/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 15/02 6 juni 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Coevorden (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Ingevolge de Wet heeft de heffingsambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 2 te Z bij beschikking vastgesteld op een bedrag van ƒ 339.000,--.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de heffingsambtenaar voormelde waarde bij de bestreden uitspraak van 6 december 2001 gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift, hetwelk op 2 januari 2002 ter griffie is ingekomen. Bij brief, ingekomen bij het gerechtshof op 5 februari 2002, heeft de belanghebbende dit beroepschrift voorzien van de gronden van het beroep.

1.4. De heffingsambtenaar heeft op 14 juni 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 26 februari 2003, gehouden te Assen, alwaar zijn verschenen: belanghebbendes gemachtigde, de belanghebbende vergezeld door zijn echtgenote, alsmede namens de heffingsambtenaar A en B. Laatstgenoemde is als taxateur verbonden aan C B.V. te L. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbende een door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. Daarnaast heeft de gemachtigde van de belanghebbende - zonder bezwaar van de zijde van de heffingsambtenaar - een afschrift van een overeenkomst betreffende het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de woning en enkele foto's overgelegd.

1.6. Het gerechtshof heeft op 12 maart 2003 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn op 25 maart 2003 per aangetekende post aan de partijen verzonden.

1.7. Bij schrijven ingekomen op 8 april 2003 heeft de belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.

1.8. De griffier heeft de belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 11 april 2003, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 28 april 2003 dat griffierecht voldaan.

1.9. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Bij beschikking van 28 februari 2001 is door de heffingsambtenaar ten aanzien van de belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 2 te Z (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De onroerende zaak betreft een omstreeks 1950 gebouwde vrijstaande eengezinswoning en heeft een kaveloppervlakte van circa 1.000 m2.

2.2. De door de heffingsambtenaar aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 ƒ 339.000,--. Bij de bestreden uitspraak is deze vastgestelde waarde gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.

3.2. De belanghebbende is van mening dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hij bepleit een waarde van ƒ 220.000,--.

3.3. De heffingsambtenaar is (thans) van opvatting dat de waarde van de onroerende zaak op een bedrag van ƒ 285.000,-- dient te worden vastgesteld.

3.4. Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de van partijen afkomstige stukken alsmede het proces-verbaal van de zitting.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de Wet wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

4.3. Ter onderbouwing van de thans door hem voorgestane waarde verwijst de heffingsambtenaar onder meer naar het op 23 mei 2002 door B, gediplomeerd en beëdigd WOZ-taxateur, verbonden aan C B.V. te L, opgemaakte taxatierapport. Uit dit rapport blijkt dat de waarde van de onroerende zaak aan de hand van de onder punt 4.2 bedoelde vergelijkingsmethode is getaxeerd naar de toestandsdatum 1 januari 2001 op een bedrag van ƒ 285.000,--. De (ongunstige) ligging van de onroerende zaak nabij de N34 is naar het oordeel van het gerechtshof in het taxatierapport genoegzaam onderkend. In dit verband acht het gerechtshof van belang dat in dit rapport staat vermeld dat de deskundige taxateur de onroerende zaak zowel in- als uitpandig heeft opgenomen, hetgeen zijdens de belanghebbende niet is bestreden. Voorts is in het taxatierapport rekening gehouden met de omstandigheid dat de verbouwingswerkzaamheden op 1 januari 2001 nog niet geheel waren afgerond. Gelet op het goed onderbouwde taxatierapport acht het gerechtshof dan ook aannemelijk dat de getaxeerde waarde ad ƒ 285.000,-- strookt met het onder punt 4.1 overwogene.

4.4. Overigens zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een verlaging van de vastgestelde waarde rechtvaardigen.

4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat waarde van de onroerende zaak dient te worden vastgesteld op een bedrag van ƒ 285.000,--. Dit houdt in dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd.

5. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het gerechtshof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de heffingsambtenaar te veroordelen tot een tegemoetkoming in de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het gerechtshof bepaalt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 644,-- ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 21,-- ter zake van reis- en verblijfkosten. Deze kosten, die in totaal € 665,-- bedragen, dienen te worden gedragen door de gemeente Coevorden.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

stelt de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 2 te Z vast op een bedrag van ƒ 285.000,-- (€ 129.327,--);

gelast dat de heffingsambtenaar het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 29,-- aan hem vergoedt;

veroordeelt de heffingsambtenaar de kosten aan de belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 665,-- en

wijst de gemeente Coevorden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 6 juni 2003 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde vice-president in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 6 juni 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.