Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF9055

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2003
Datum publicatie
22-05-2003
Zaaknummer
BK 1010/01 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0991 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1010/01 8 mei 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd voor het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ingevolge de Wet op de omzetbelasting 1968, gelijk deze wet voor het onderhavige tijdvak gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 17.089,-- aan enkelvoudige belasting en f 1.989,-- aan heffingsrente.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 22 oktober 2001 aangekondigd dat het bezwaar zal worden afgewezen en de aanslag gehandhaafd, en dat de officiële uitspraak zal volgen.

Belanghebbende is tegen de in deze brief aangekondigde uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 29 november 2001 is ingekomen en is aangevuld bij schrijven van 27 december 2001 (met 30 bijlagen).

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 13 februari 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van A, en belanghebbende, die zijn gemachtigde vergezelde, zomede de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. De inspecteur heeft, zonder bezwaar van de zijde van belanghebbende, enige schriftelijke stukken overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende drijft in de vorm van een eenmanszaak onder de naam B Administratie- en advieskantoor een onderneming. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit het verzorgen van administraties en aangiften voor derden, alsmede het aanleggen van computernetwerken voor derden en het leveren van hard- en software aan derden. De werkzaamheden worden bij de klanten op locatie verzorgd, doorgaans met apparatuur van de klanten.

2.2 In 1993 heeft belanghebbende een auto aangeschaft van het merk en type Landrover Defender, welke auto hij toen daadwerkelijk voor de onderneming is gaan gebruiken. De auto is na de aanschaf tot het ondernemingsvermogen gerekend, hetgeen de instemming van de inspecteur had.

2.3 In 1996 heeft belanghebbende tevens een auto aangeschaft van het merk en type VW Caddy, een gesloten bestelauto. Ook deze auto is met instemming van de inspecteur tot het ondernemingsvermogen gerekend. Hij werd in 1997 ingeruild tegen een nieuwe VW Caddy.

2.4 In 1996 is belanghebbende begonnen met de ombouw van de Landrover in die zin dat deze auto geschikt werd gemaakt voor plaatsing van een separate afzetunit.

2.5 In verband met de noodzakelijkheid van een herkeuring van de Landrover na aanpassing en met spreiding van de kosten van de wijziging van deze auto en de bouw van de afzetunit is de verbouwingsperiode gespreid over 5 jaren (1996-2001). De Landrover is in deze periode gestald in een loods te L.

2.6 De afzetunit waarvoor de ombouw van de Landrover nodig was, was geschikt om op locatie te overnachten. Eind 2000 heeft belanghebbende opdracht gegeven voor de bouw van een gesloten afzetunit, die niet voor overnachting geschikt is. Beide units zijn bij de Landrover in gebruik.

2.7 Belanghebbende is lange tijd lid en bestuurslid (geweest) van de C-club te M, die aanvankelijk ook een grote opdrachtgever van belanghebbende is geweest.

2.8 In 1995 en 1996 had belanghebbende enige kleine klanten en werkte hij aanvullend bij uitzendbureau Randstad, onder andere bij D te N, welk bedrijf aansluitend daaraan in die periode tevens zijn grootste opdrachtgever is geworden. Belanghebbende gebruikte blijkens een in 1996 ingesteld boekenonderzoek een tot zijn privévermogen behorende VW camper voor verblijf te N.

2.9 Na gereedkoming van de ombouw heeft belanghebbende de VW Caddy verkocht.

2.10 De Landrover is in de tweede helft van 1996 en in 1997 niet zakelijk gebruikt. Volgens een door belanghebbende overgelegde kilometeradministratie is in de periode van 14 juli 1998 tot en met 14 oktober 1998 in totaal 3.412 kilometer gereden, waarvan 82 kilometer ten behoeve van een proefrit en 52 kilometer met als omschrijving "Boodschappen". Van de overige kilometers is geen nadere omschrijving, een projectnummer of een opmerking gegeven.

2.11 De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de ombouw van de Landrover en de aanschaf van de voor overnachting geschikte afzetunit hun oorzaak vinden in een nagenoeg geheel gebruik voor privédoeleinden zodat met ingang van 1996 de Landrover diende over te worden gebracht van het ondernemingsvermogen naar het privévermogen, terwijl de kosten van de afzetunit niet ten laste van de ondernemingen kunnen worden gebracht. Hij heeft belanghebbendes aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen overeenkomstig dit standpunt gecorrigeerd.

2.12 Belanghebbende heeft om praktische redenen besloten de correctie ten aanzien van de afzetunit voor de onderhavige periode niet te bestrijden.

2.13 In 1996 heeft belanghebbende een speedboot met toebehoren aangeschaft. Een tot dan aan hem toebehorende speedboot, die tot het privévermogen behoorde, heeft hij toen verkocht.

2.14 Op het voordek van de aangeschafte speedboot is een logo aangebracht met de letters B. Op de zijkant van de boot is met kleinere letters aangebracht de tekst: "B administratie- en advieskantoor" alsmede een telefoonnummer. Belanghebbende stelt dat de boot is bestemd voor het maken van reclame en het geven van vaarlessen voor het vaarbewijs. Tot dusver worden wel lessen aangeboden, maar daarvan is nog geen gebruik gemaakt.

2.15 Belanghebbendes omzet bedroeg in 1997 en 1998 beduidend minder dan in 1996. In 1999 bedroeg de omzet nagenoeg evenveel als in 1996.

2.16 Belanghebbende heeft de aangeschafte speedboot tot het ondernemingsvermogen gerekend en de lasten van het houden van de boot, inclusief afschrijvingen, ten laste van het bedrijfsresultaat gebracht.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de boot een privékarakter draagt en dat derhalve de boot niet als ondernemingsvermogen is aan te merken. Hij heeft de aangiften van belanghebbende voor de inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen dienovereenkomstig gecorrigeerd.

2.17 Ter zake van de door de inspecteur gewenste overgang van de Landrover naar het privévermogen in 1996 alsmede de in het onderhavige tijdvak in aftrek gebrachte omzetbelasting met betrekking tot de speedboot, en de als gevolg daarvan gewijzigde toepassing van de Kleine Ondernemersregeling, heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

2.18 De door partijen over en weer geproduceerde cijfermatige uitwerkingen van de ingenomen standpunten zijn door partijen als juist erkend.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de Landrover naar het privévermogen dient te worden overgeboekt alsmede of de speedboot tot het ondernemingsvermogen gerekend kan worden, afhankelijk waarvan de onderhavige naheffing al dan niet dient te worden gehandhaafd.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in zijn beroepschrift en voormelde pleitnota en mondeling ter zitting, het standpunt ingenomen dat de Landrover niet naar het privévermogen behoeft te worden overgebracht en dat de investering voor de speedboot is ingegeven door zakelijke motieven, zodat geen sprake is van een privéinvestering en de boot terecht tot het ondernemingsvermogen is gerekend.

De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift en mondeling ter zitting, het standpunt verdedigd dat de Landrover verplicht dient over te worden gebracht naar het privévermogen, dat van de investering in de speedboot het privé-karakter dermate doorslaggevend is dat de boot niet als ondernemingsvermogen kan worden aangemerkt. De inspecteur concludeert dat de naheffingsaanslag derhalve terecht is opgelegd.

Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep is het hof, op de gronden zoals door de inspecteur in het verweerschrift aangevoerd, van oordeel dat belanghebbende ontvankelijk kan worden geacht in zijn beroep.

5.2 Met betrekking tot de vraag of de Landrover in het onderhavige tijdvak kan worden gerekend tot belanghebbendes ondernemingsvermogen, dan wel, in 1996, naar het privévermogen dient te worden overgebracht, alsmede de vraag of belanghebbende de in 1996 aangeschafte speedboot terecht tot zijn ondernemingsvermogen heeft kunnen rekenen en de hieraan verbonden omzetbelasting en de aan de kosten van het houden van deze boot verbonden omzetbelasting in aftrek kon brengen heeft het hof bij uitspraken van heden, nummers BK 1008-01 en BK 1009-01, beslist dat enerzijds de Landrover in 1996 diende te worden overgebracht naar het privévermogen en dat de grenzen der redelijkheid zijn overschreden door de speedboot tot het ondernemingsvermogen te rekenen.

5.3 Gelet op deze uitspraken van het hof heeft de inspecteur de in geschil zijnde bedragen aan omzetbelasting terecht nageheven bij de onderhavige naheffingsaanslag.

5.4 Nu voor dat geval tussen partijen niet in geschil is dat de nageheven belasting tot het juiste bedrag in de onderhavige naheffingsaanslag is begrepen, is het beroep ongegrond.

5.5 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 8 mei 2003 door mr. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. Drion en mr. Huiskes, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier Gerrits en ondertekend door mr. Drion, zijnde de griffier buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Op 22 mei 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.