Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF9020

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
BK 62/01 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0998

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 62/01 16 mei 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Particulieren Leeuwarden (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over de jaren 1998 en 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen ambtshalve aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet) van

ƒ 23.897,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 3 oktober 2000 het belastbaar inkomen nader vastgesteld op ƒ 23.097,--.

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet) van ƒ 24.031,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 16 februari 2001 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen beide uitspraken in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 16 januari 2001 ter griffie van het hof is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 20 juli 2001 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Tenslotte zijn van belanghebbende op 21 januari 2003 een faxbericht (met bijlagen) en op 24 januari 2003 een faxbericht ter griffie van het hof ingekomen. Een afschrift van deze bescheiden is 22 januari 2003 verzonden aan de inspecteur waarbij is aangegeven dat hij ter behandeling ter zitting in de gelegenheid wordt gesteld op deze stukken inhoudelijk te reageren. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 januari 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, zijn dochter alsmede de inspecteur, bijgestaan door een medewerkster van zijn inspectie. Belanghebbende heeft ter zitting een brief d.d. 11 januari 2003 (met bijlagen) overgelegd, welke brief reeds op 21 januari 2003 ter griffie van het hof was binnengekomen.

Het hof heeft in deze zaak op 10 februari 2003 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 24 februari 2003, aan partijen is verzonden.

Bij een op 24 maart 2003 ter griffie van het hof ingekomen faxbericht heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 8 april 2003 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 Belanghebbende is ongehuwd en in de onderhavige jaren woonachtig te L, op het adres a-straat 23. Belanghebbende is eigenaar van deze onroerende zaak. In 1998 heeft belanghebbende een WAZ-uitkering ontvangen van

ƒ 23.790,-- en in 1999 van ƒ 27.746,--.

2.3 Belanghebbende heeft een dochter. Zij is geboren op .. april 19.. en zij heeft in de onderhavige jaren een inkomen genoten van respectievelijk ƒ 32.563,-- en ƒ 40.483,--.

2.4 De waarde van de onroerende zaak, a-straat 23 te L, is per waardepeildatum 1 januari 1993 vastgesteld op ƒ 104.000,--. Het bij ministeriële regeling vastgestelde ophogingspercentage bedraagt 10.

2.5 Belanghebbende heeft over het jaar 1998 geen aangifte Inkomstenbelasting/ premies volksverzekeringen ingediend. De inspecteur heeft daarom bij dagtekening 30 juni 2000 ambtshalve een aanslag opgelegd. De inspecteur heeft deze aanslag, nadat belanghebbende hiertegen bezwaar had gemaakt, gehandhaafd. Een vervolgens door belanghebbende ingediend faxbericht, hetwelk door de inspecteur is aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering, heeft ertoe geleid dat de inspecteur het vastgestelde inkomen alsnog met ƒ 800,-- heeft verminderd, en nader heeft vastgesteld op ƒ 23.097,--.

2.6 Voor het jaar 1999 heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 24.031,--.

2.7 De inspecteur heeft de aanslag over 1999 overeenkomstig de aangifte opgelegd. Het vervolgens door belanghebbende ingediende bezwaar is door de inspecteur ongegrond verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende voor de onderhavige jaren ingedeeld dient te worden in tariefgroep 2, danwel in tariefgroep 4. Voorts is in geschil de hoogte van het in 1998 en 1999 geldende huurwaardeforfait.

Primair is evenwel aan de orde de vraag of belanghebbende ter zake van de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1998, tijdig beroep heeft ingesteld.

3.2 Belanghebbende is van mening dat op de door hem ontvangen uitkering het gehele jaar 1998 en gedurende een deel van het jaar 1999 terecht loonheffing is ingehouden met in achtneming van tariefgroep 4. Het huurwaardeforfait is naar zijn mening te hoog vastgesteld. De woning is feitelijk onbewoonbaar, danwel onverhuurbaar, zodat hiervoor geen waarde dient te worden opgenomen.

3.3 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.4 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Formeel:

4.1 Op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) juncto de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb), kan hij, die bezwaar heeft tegen een ten aanzien van hem genomen uitspraak op het bezwaar binnen zes weken na dagtekening daarvan een beroepschrift indienen. Op straffe van niet-ontvankelijkheid dient deze termijn in acht te worden genomen.

4.2 De uitspraak op het bezwaar inzake de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1998 is gedagtekend 13 oktober 2000. Het beroepschrift d.d. 12 januari 2001, is op 16 januari 2001 ter griffie van het hof ingekomen. Mitsdien is het beroepschrift niet binnen zes weken ingediend. Belanghebbende kan derhalve in zijn beroep betreffende het jaar 1998 niet worden ontvangen.

4.3 De uitspraak op het bezwaar betreffende de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1999 is gedagtekend 16 februari 2001. Het beroepschrift d.d. 12 januari 2001, is op 16 januari 2001 ter griffie van het hof ingekomen. Mitsdien is het beroepschrift niet binnen de hiervoor vermelde termijn ingekomen.

De inspecteur sluit echter niet uit dat belanghebbende op grond van telefonische mededelingen van een ambtenaar van zijn inspectie op 15 januari 2001 redelijkerwijze kon menen dat het bestreden besluit op dat moment al tot stand gekomen was. Gelet op het hieromtrent bepaalde in artikel 6:10 lid 1 letter b, Awb, is het hof van oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. Het hof zal de zaak betreffende het jaar 1999 mitsdien inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijk:

4.4 Op grond van artikel 55, lid 5 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) dient voor indeling in tariefgroep 4 als bedoeld in artikel 54 onderdeel d van de Wet aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan;

- ongehuwd zijn;

- in het kalenderjaar meer dan zes maanden een huishouding voeren met geen ander dan een kind dat bij aanvang van het kalenderjaar jonger is dan 27 jaar;

- en het in belangrijke mate, tenminste ƒ 56,-- per week, onderhouden van dat kind.

4.5 Ter zitting heeft de dochter van belanghebbende desgevraagd meegedeeld dat zij in 1999 niet woonachtig was bij belanghebbende. Hieruit volgt dat aan één van de voorwaarden betreffende het voeren van een gezamenlijke huishouding voor een periode van tenminste zes maanden gedurende een kalenderjaar niet is voldaan.

Ten overvloede overweegt het hof het, op grond van het inkomen van belanghebbende in relatie tot het inkomen van de dochter in het onderhavige jaar, niet aannemelijk te achten dat belanghebbende de dochter financieel heeft onderhouden ten belope van een bedrag van tenminste ƒ 56,-- per week.

4.6 Op grond van artikel 42a lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) wordt, voorzover hier van belang, bij het bepalen van zuivere inkomsten met betrekking tot een eigen woning waarvan zowel de voordelen als de kosten en lasten bestanddelen vormen van het onzuivere inkomen van de belastingplichtige, de huurwaarde bepaald aan de hand van het in lid 1 opgenomen overzicht en worden andere voordelen alsmede kosten, lasten en afschrijvingen niet in aanmerking genomen.

Vanaf het jaar 1997 wordt voor de waarde van de woning in het economische verkeer aangesloten bij de waarde die is vermeld in de WOZ-beschikking. De in deze beschikking neergelegde waarde geldt dan als onweerlegbaar rechtsvermoeden ( Memorie van Toelichting, Wet van 20 december 1996, Stb. 653). Op grond van het derde lid van art. 42a van de Wet zoals die in 1999 geldt, vindt de waardebepaling over dat jaar plaats naar het prijspeil per 1 januari 1995. Derhalve dient uitgegaan te worden van een waarde van ƒ 104.000,-- vermeerderd met het voor de gemeente Terschelling geldende ophogingspercentage van 10, ofwel afgerond ƒ 114.000,--.

4.7 Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat belanghebbende terecht is ingedeeld in tariefgroep 2 en dat voorts het huurwaardeforfait van de woning van belanghebbende correct is vastgesteld op ƒ 1.140,--.

4.8 Ten aanzien van de door belanghebbende gestelde formele gebreken aan de zijde van de inspecteur bij een door hem gelegd beslag mede op grond van de onderhavige aanslag, overweegt het hof dat de uitvoering hiervan niet ter zijner beoordeling staat en dat overigens van de schending van enig beginsel van beginsel van behoorlijk bestuur het hof niet is gebleken.

5. De conclusie.

Het vorenstaande brengt mee dat het hof het beroep van belanghebbende ongegrond dient te verklaren.

6. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het gerechtshof :

verklaart ter zake van de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1998 belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn beroep;

verklaart ter zake van de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1999 het beroep ongegrond.

Gedaan op 16 mei 2003 door prof. mr Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 21 mei 2003

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.