Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8633

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-05-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
BK 171/01 Afvalstoffenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag
Wet belastingen op milieugrondslag 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 981
JAF 2003/17 met annotatie van Van der Meijden
V-N 2003/38.1.13

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 171/01 9 mei 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (:belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen van de Belastingdienst Rotterdam (:de inspecteur) op het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift tegen de aan haar over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 onder nummer 0000.00.000.0000000 opgelegde naheffingsaanslag in de afvalstoffenbelasting.

1. Procesgang.

Gedagtekend 6 december 2000 werd aan belanghebbende de thans bestreden naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting opgelegd tot een bedrag van f 4.417.812,- aan enkelvoudige belasting, verhoogd met f 537.247,- aan heffingsrente.

Tegen die naheffingsaanslag is namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend, op welk bezwaarschrift de inspecteur met dagtekening 22 februari 2001 uitspraak heeft gedaan waarbij het bezwaar in al zijn onderdelen werd afgewezen en de naheffingsaanslag werd gehandhaafd.

Tegen die uitspraak op het bezwaar is namens belanghebbende een beroepschrift ingediend, ter griffie ingekomen op 2 maart 2001 en aangevuld bij brief (met bijlagen) ter griffie ingekomen op 30 maart 2001.

Met toestemming van het hof heeft achtereenvolgens belanghebbende gerepliceerd en de inspecteur heeft gedupliceerd.

Nadat de inspecteur een verweerschrift (met 8 bijlagen) had ingediend, heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 maart 2003 gehouden te Leeuwarden. Aldaar verschenen de gemachtigden van belanghebbende alsmede de inspecteur die werd bijgestaan door A.

Ter zitting is door beide partijen een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Desgevraagd hebben partijen verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij die pleitnota's gevoegde bijlagen.

De inhoud van alle voormelde (en hierna nog te noemen) stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De vaststaande feiten.

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor dit geding als tussen partijen niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken het navolgende vast:

2.1 Op 21 maart 1991 heeft de provincie Groningen aan belanghebbende vergunning verleend voor de exploitatie van een stortplaats aan de a-laan te Z. Bij voorlopig besluit van 23 november 1994 is de vergunning gewijzigd in verband met de op de provincie rustende verplichting om op grond van het Stortbesluit bodembescherming een aantal met name genoemde voorschriften in de vergunning op te nemen.

2.2 X (belanghebbende) is eigenaar en vergunninghouder van die stortplaats. De stortplaats is op 1 juni 1997 gesloten.

2.3 Eind 1995 werd geconstateerd dat de afdeling B in 1995 in totaal 2.907 ton materiaal op de stortplaats heeft aangevoerd waarover door belanghebbende geen afvalstoffenbelasting is afgedragen. De verschuldigde afvalstoffenbelasting ad f 84.884,- is naderhand in rekening gebracht bij het grondbedrijf van belanghebbende. In december 1996 heeft creditering van dat bedrag plaatsgevonden waarna vervolgens aan belanghebbende een bedrag van f 2,- per ton in rekening is gebracht voor geleverde schone grond.

2.4 In 1996 en 1997 is door C B.V. respectievelijk 1.741 en 752 ton met van dakleer afkomstige zware metalen en PAK verontreinigd slibresidu aan de inrichting van belanghebbende afgegeven. Dat slibresidu is afkomstig van een was- en breekinstallatie voor steenachtig bouw- en sloopafval. X had toestemming van de provincie Groningen om dat slibresidu te gebruiken voor de dagelijkse afdekking van het stortlichaam. In de eindafdichting mocht het echter niet worden gebruikt. Aanvankelijk heeft belanghebbende aan C B.V. een stortrtarief van f 8,- per ton èn de afvalstoffenbelasting in rekening gebracht. Na overleg met C B.V. heeft belanghebbende de desbetreffende facturen gecrediteerd en nieuwe facturen aan C B.V. uitgereikt echter ditmaal zonder afvalstoffenbelasting.

2.5 In 1995 is 6.068 ton puin, 3.707 ton afdekgrond-2 en 25.539 ton "schone"grond aan de inrichting afgegeven waarvoor door belanghebbende geen storttarief in rekening is gebracht. Op 4 maart 1996 (dus achteraf) heeft belanghebbende aan de aanbieders van die hoeveelheden alsnog een bedrag van f 2,- per ton vergoed. Over deze hoeveelheden is geen afvalstoffenbelasting afgedragen. In 1995 is voorts 6.228 ton puin en 53.424 ton "schone"grond aan de inrichting afgegeven waarover geen afvalstoffenbelasting is afgedragen. In 1997 is 5.045 ton puin en 45.792 ton "schone"grond aan de inrichting afgegeven waarover geen afvalstoffenbelasting is afgedragen. Belanghebbende heeft aan de aanbieders een vergoeding van f 2,- per ton betaald.

2.6 Het puin is gebruikt voor verharding van wegen op de inrichting. Het afdekmateriaal-2 is gebruikt voor de dagelijkse afdekking van het stortlichaam.

2.7 Van een op verzoek van de inspecteur bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek naar de afdracht van afvalstoffenbelasting is op 3 november 2000 rapport aan de inspecteur uitgebracht. De conclusies uit dat rapport zijn voor de inspecteur aanleiding geweest de thans bestreden naheffingsaanslag in de afvalstoffenbelasting op te leggen. Over de daarbij in aanmerking genomen hoeveelheden en bedragen bestaat tussen partijen geen verschil van mening.

3. Geschil.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

primair: Kunnen de overslag en de nuttige toepassingen van aan de inrichting aangeboden afval als afzonderlijke inrichtingen worden aangemerkt? Bestaan er binnen de door belanghebbende geëxploiteerde inrichting werken, en zo ja, is heffing over afvalstoffen die binnen die werken zijn toegepast in strijd met het gelijkheidsbeginsel?

subsidiair: Zijn afvalstoffen die binnen de inrichting een nuttige toepassing vinden wel als afvalstoffen te beschouwen?

meer subsidiair: Kent de Wet belastingen op milieugrondslag (:Wbm) een tarief voor stoffen die op grond van de fictie van artikel 13, tweede lid, Wbm, geacht worden te zijn verwerkt binnen de inrichting?

nog meer subsidiair: Moet het slibresidu (2.4 hiervoor onder de feiten) van de breek- en wasinstallatie voor bouw- en sloopafval gezien de toepassing binnen de inrichting worden aangemerkt als afvalstoffen? Dient schone grond te worden aangemerkt als afvalstof?

4. De standpunten van partijen.

4.1 Op gronden als vermeld in de van haar afkomstige stukken is belanghebbende van mening dat het antwoord op voormelde vragen moet leiden tot de conclusie dat geen sprake is van afvalstoffen als bedoeld in de Wbm, zodat de bestreden naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting rechtsgrond ontbeert en daarom moet worden verminderd tot nihil. Subsidair en meer subsidiair is men van mening dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot bedragen als omschreven in de pleitnota van belanghebbendes gemachtigde.

4.2 Op gronden als vermeld in de van hem afkomstige stukken is de inspecteur van opvatting dat de aan de inrichting afgegeven stoffen waarop de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft, enkel als afvalstoffen zijn te beschouwen die onder het belastbare feit "afgifte aan de poort" vallen, zodat die naheffingsaanslag op juiste gronden en tot de juiste bedragen is opgelegd.

4.3 Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe andere of nadere gronden aan te voeren dan reeds opgenomen in de door ieder van hen geproduceerde gedingstukken.

5. De rechtsoverwegingen.

5.1 In artikel 12 van de Wbm zoals dat artikel voor het onderhavig tijdvak luidde, is bepaald dat voor de toepassing van hoofdstuk III van die wet onder "afvalstoffen" wordt verstaan: huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer. Naar luid van artikel 1.1, eerste lid, van laatstvermelde wet wordt onder "afvalstoffen" verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten, waarvan de houder zich -met het oog op de verwijdering daarvan- ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

5.2 Als vorenbedoelde houder is bezwaarlijk iemand anders aan te merken dan de aanbieder van die stoffen aan de (poort van de) inrichting teneinde zich van die stoffen te ontdoen.

5.3 Krachtens artikel 13, eerste lid, onderdeel a, Wbm (tekst tot 1 januari 2000) wordt afvalstoffenbelasting geheven

-terzake van de afgifte ter verwerking

-van afvalstoffen

-aan een inrichting.

In het tweede lid van artikel 13 Wbm is bepaald dat de aan de inrichting afgegeven afvalstoffen geacht worden alle te zijn afgegeven ter verwerking. Afgifte "aan de poort" levert onder die omstandigheden het belastbare feit van voormeld artikel 13, eerste lid, onderdeel a, Wbm, op.

5.4 Niet voor betwisting vatbaar is dat de door belanghebbende geëxploiteerde stortplaats een (vergunningplichtige) inrichting is als bedoeld in artikel 12, onderdeel c, van de Wmb. Evenmin dat de aanbieders van de stoffen waarover belasting is nageheven, enkel het oogmerk hebben zich van die stoffen te ontdoen. Alles wat met dat oogmerk "aan de poort" wordt aangeboden verkrijgt daardoor het karakter van afvalstoffen.

5.5 De engere interpretatie van het begrip afvalstoffen zoals door belanghebbende wordt voorgestaan is onjuist: in zijn arrest van 15 juni 2000 (C-418/97 en C-419/97; AB 2000, 311) heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat bij de uitleg van het begrip afvalstof voor de kaderrichtlijn afvalstoffen de toekomstige bestemming van een voorwerp of een stof niet van invloed is op het karakter van afvalstof van die stof of dat voorwerp, en dat het begrip afvalstof niet zo beperkt moet worden opgevat dat daaronder niet vallen stoffen en voorwerpen die op milieuhygiënisch verantwoorde wijze en zonder ingrijpende bewerking nuttig kunnen worden aangewend (als dagelijkse tijdelijke afdeklaag op de stortplaats zoals in casu bijvoorbeeld).

5.6 Het Hof overwoog voorts dat, gelet op de doelstelling van kaderrichtlijn afvalstoffen, het begrip afvalstof niet restrictief moet worden uitgelegd.

5.7 Nu de wetgever heeft bedoeld het begrip afvalstoffen geen andere inhoud te geven dan dat begrip heeft voor de toepassing van de kaderrichtlijn afvalstoffen (richtlijn 91/156/EEG) dient voorts te gelden dat het Europese Hof in voormeld arrest heeft uitgesproken dat, gelet op de doelstelling van de kaderrichtlijn, de vraag of inderdaad sprake is van een afvalstof in de zin van de kaderrichtlijn moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de kaderrichtlijn en ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid ervan.

5.8 De vraag of nuttige toepasssing van de ter verwerking afgegeven afvalstoffen binnen de inrichting aan die stoffen het karakter van afvalstoffen ontnemen en deze stoffen daardoor buiten het bereik van de afvalstoffenbelasting vallen, is daarmee in ontkennende zin beantwoord. Voor de voor overslag naar een andere stortplaats binnen de inrichting opgeslagen (afval-)stoffen geldt hetzelfde antwoord: ook die stoffen zijn ter verwerking aan de inrichting afgegeven.

5.9 Dat binnen de onderhavige inrichting sprake zou zijn van afzonderlijke inrichtingen of werken is gesteld maar niet aannemelijk geworden. Dat puin (wegverharding binnen de inrichting) en slibresidu (tijdelijke afdekking) binnen de inrichting voor een nadere alternatieve bestemming worden aangewend, verandert niets aan de omstandigheid dat de oorspronkelijke aanbieder zich daarvan heeft willen of moeten ontdoen, zodat, mede in het licht van de jurisprudentie van het Europese Hof, nog immer van afvalstoffen moet worden gesproken. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de aanwending van dat puin en slibresidu op de wijze zoals gesteld, geheel past in de wijze waarop een stortplaats overigens wordt geëxploiteerd. Ook naar regels van spraakgebruik zijn het afvalstoffen gebleven, zij het dat zij voor de exploitant van de inrichting nog van enig nut kunnen zijn.

5.10 Nu het hof binnen de onderhavige inrichting geen afzonderlijke werken aanwezig acht kan de door belanghebbende gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel buiten bespreking blijven. Daarbij verdient opmerking dat bij werken buiten de inrichting slechts bepaalde stromen, afval (licht verontreinigde materialen) worden aangewend, terwijl aan de onderhavige stortplaats stromen afval van verschillende samenstelling worden afgegeven, zodat ook daarom een verschillende behandeling gerechtvaardigd is.

5.11 Opmerking verdient voorts dat onder bepaalde omstandigheden anders dan sub 5.9 hiervoor overwogen, zou moeten worden geoordeeld ten aanzien van stoffen die de exploitant voor wegverharding en tijdelijke afdekking zelf zou betrekken van een derde, dat wil zeggen: aanschaffen/kopen. Daarvan is hier geen sprake: de f 2,- per ton afval die belanghebbende achteraf, na creditering van de oorspronkelijke stortnota's, aan zich in rekening laat brengen, maakt een zodanig gekunstelde en geconstrueerde indruk dat zulks niet als onderbouwing van belanghebbendes desbetreffende standpunt kan dienen. Het positieve prijs-beginsel dient daarom buiten toepassing te blijven. Het blijven afvalstoffen waarvan de aanbieder van dat puin en dat slibresidu zich heeft willen c.q. moeten ontdoen, die bij afgifte aan de poort van de inrichting hun oorspronkelijke karakter van bouwmaterialen c.q. procesresidu verliezen en het karakter van afvalstoffen in de zin van de Wbm hebben aangenomen.

5.12 De meer subsidiair opgeworpen vraag naar het tarief: Op de onderhavige inrichting worden geen afvalstoffen verbrand doch enkel gestort. Daarnaast heeft de wetgever bewust (Kamerstukken II 1994/1995, 23 935, nr. 5, blz. 10) de fictie van artikel 13, tweede lid, Wbm opgenomen: van alle afvalstoffen die worden afgegeven ter verwerking aan een inrichting -behoudens afzonderlijk aangeboden gft-afval- wordt aangenomen dat zij worden gestort. Logischerwijs is alsdan het tarief voor storten en niet het tarief voor verbranden van toepassing.

5.13 Met betrekking tot de nog meer subsidiair opgeworpen vraag inzake het slibresidu moet, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang beschouwd, worden geoordeeld dat ondanks de provinciale toestemming dat slibresidu te gebruiken als tijdelijk afdekmateriaal, daaraan het karakter van afvalstof niet wordt ontnomen.

5.14 Met betrekking tot de schone grond is het hof van oordeel dat sprake is van afvalstof in bedoelde zin, nu de houder zich daarvan met het oog op verwijdering ontdoet, nog daargelaten dat niet aannemelijk is geworden dat daadwerkelijk sprake is van schone grond. Nu niet aannemelijk is geworden dat de betreffende stoffen (puin en grond) zijn toegepast boven de bovenste grondlaag, is het beleid van de belastingdienst -inhoudende dat geen afvalstoffenheffing wordt geheven over stoffen die boven de bovenste folielaag worden toegepast- niet aan de orde.

Het hof acht aannemelijk dat ook na 1 juni 1997 licht verontreinigde grond kan worden verwerkt op de onderhavige stortplaats en dat na die datum daar slechts bedoelde grond is gedeponeerd. Er is dus nog steeds sprake van een inrichting in onderhavige zin.

Nu niet is gebleken dat na de eindafdichting nog grond is aangevoerd, is er ook ten aanzien van de na 1 juni 1997 aangevoerde grond terecht geheven.

De wetswijziging in 2000 leidt niet tot een ander oordeel.

6. De slotsom.

Alle grieven zijn vruchteloos voorgesteld, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard en de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

8. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gedaan op 9 mei 2003 door mr. Pruiksma, vice-president, als voorzitter, mrs. Huiskes en Fransen, raadsheren, in

tegenwoordigheid van de griffier M. Haarsma, en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 14 mei 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.