Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8454

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00168
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00168

23 april 2003

CJIB 59048775757

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam

van 8 november 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 86,22 opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (verkeersbord A1) meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 28 december 2001 op de Abram v Rijckevorselweg te Rotterdam.

3.2. De betrokkene bestrijdt niet met de geconstateerde snelheid van 72 km/h te hebben gereden. Het bezwaar van de betrokkene strekt ten betoge dat hij het bord met de vermelde maximumsnelheid van 50 km/h - evenals het op dezelfde plaats aangebrachte bord met de aanduiding bebouwde kom (H1) - redelijkerwijs niet kon waarnemen. Hij stelt hiertoe dat hij over de links gelegen rijstrook reed, in een bocht naar rechts, en dat hij om het betreffende bord in de rechterberm te hebben kunnen waarnemen zijn hoofd abnormaal had moeten draaien. De zichtbaarheid van het bord werd voorts nadelig beïnvloed door de ligging van een kleurrijk tankstation vlak achter het bord en de invallende duisternis. De betrokkene meent dat ook aan de linkerkant van de weg een bord met de maximumsnelheid geplaatst had kunnen zijn. De betrokkene bestrijdt voorts dat hij op enige andere wijze op de hoogte was zijn van de ter plekke geldende maximumsnelheid.

3.3. Bij de beoordeling van de vraag of de door de betrokkene genoemde omstandigheden van dien aard zijn, dat deze het opleggen van de onderhavige administratieve sanctie niet billijken of dat deze tot matiging van de opgelegde sanctie dienen te leiden, dient het volgende te worden vooropgesteld.

3.4. Art. 5 WVW1994 luidt:

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Art. 19 RVV1990 luidt:

De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

De Nota van toelichting op de laatste bepaling houdt onder meer in:

De bepalingen ter zake van de snelheid zijn ten opzichte van het RVV 1966 aanzienlijk verminderd en vereenvoudigd. In de eerste plaats kon ook hier een aantal bepalingen vervallen omdat het daarin geregelde aan de eigen verantwoordelijkheid van de weggebruiker kan worden overgelaten. Het gaat daarbij met name om beschrijvingen hoe de bestuurder zijn snelheid moet regelen en met welke factoren hij daarbij rekening moet houden. Uiteraard blijft het essentieel dat de bestuurders hun snelheid zodanig regelen dat geen gevaar of hinder voor andere weggebruikers kan ontstaan. Bij het verkeersonderwijs, de rijinstructie, de voorlichting etc. zal dit een wezenlijk uitgangspunt moeten vormen.

3.5. Mede gelet op de toelichting op art. 19 RVV1990 vloeit uit het bepaalde in art. 5 WVW1994 en art. 19 RVV1990, gelezen in onderling verband en samenhang, voort dat een bestuurder zijn snelheid steeds zodanig dient te regelen, dat hij in staat is borden zo tijdig waar te nemen dat hij zijn weggedrag tijdig aan de door die borden gegeven ge- of verboden, waarschuwingen of andere informatie kan aanpassen.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene heeft de betrokkene ofwel zijn snelheid niet zodanig geregeld, dat hij het aan de rechterkant geplaatste bord behoorlijk kon waarnemen, ofwel in onvoldoende mate oplettendheid betracht. Daarbij verdient opmerking dat de hoofdregel ten aanzien van de plaatsing van borden, die een gebod of een verbod inhouden, is dat deze aan de rechterzijde van de rijbaan worden geplaatst.

3.7. Het feit, dat kennelijk niet aan de linkerkant van de rijbaan een bord met de maximumsnelheid (A1) geplaatst was, brengt, daargelaten of de Uitvoeringsvoorschriften BABW tot een zodanige plaatsing aanleiding geven, niet mee dat de betrokkene zich ter verontschuldiging erop kan beroepen het aan de rechterzijde van de weg geplaatste bord niet te hebben waargenomen.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene zijn er geen omstandigheden gebleken van dien aard dat deze het opleggen van de onderhavige administratieve sanctie niet billijken of welke tot matiging van de opgelegde sanctie dienen te leiden. De beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.