Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8364

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
Rolnummer 0000298
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 mei 2003

Rolnummer 0000298

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr W.J.H. Alderse Baas,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr R.A. Schütz.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 5 juni 2002 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Na het incidentele arrest van dit hof van 5 juni 2002 heeft [geïntimeerde] geantwoord in de hoofdzaak met als conclusie:

"het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Groningen de dato 26 mei 2000, zo nodig met verbetering van gronden zoals in het voorwaardelijk incidenteel appèl aangegeven, te

bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties."

Voorts heeft [geïntimeerde] voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

[appellant] heeft geantwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft acht grieven in het principaal appel opgeworpen, terwijl [geïntimeerde] in het voorwaardelijk incidenteel appel twee grieven heeft voorgedragen.

De verdere beoordeling

1. Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten zijn door geen der partijen grieven voorgedragen, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Volledigheidshalve zal het hof de feiten nog kort opsommen.

1.1. Vanaf 1969 exploiteerde de vader van partijen, [vader] (hierna: vader) samen met zijn zonen, [geïntimeerde] en [appellant] (partijen in deze procedure), een boerenbedrijf in maatschapsverband, aanvankelijk vanaf de [adres] te [woonplaats]. Het bedrijf omvatte 55 ha land. In 1973/4 breidde vader het bedrijf uit door de aankoop van nog een boerderij ([adres] te [woonplaats]) met ongeveer 35 ha land.

1.2. In 1977 is vader verhuist naar een andere woning. [appellant] is - met zijn gezin - blijven wonen in de boerderij te [woonplaats]. [geïntimeerde] bewoont met zijn gezin de boerderij te [woonplaats].

1.3. Op 24 juli 1987 heeft vader beide boerderijen met landerijen verkocht aan [geïntimeerde] en [appellant] gezamenlijk, met de bepaling dat overdracht dient plaats te vinden binnen 6 maanden na overlijden van de langstlevende ouder.

1.4. Eveneens op 24 juli 1987 heeft vader een testament opgemaakt met ouderlijke boedelverdeling, op grond waarvan alle tot de nalatenschap van vader behorende onroerende zaken zijn toebedeeld aan de moeder van partijen, [moeder] (hierna: moeder).

1.5. Na het overlijden van de vader in 1988 is de maatschap door moeder met de beide zonen voortgezet. Onenigheid tussen de beide broers leidde er toe dat de maatschap door moeder en [geïntimeerde] werd opgezegd aan [appellant] met ingang van 1 mei 1996. Gelijktijdig is een nieuwe maatschap ontstaan tussen moeder en [geïntimeerde]. De onderliggende maatschapsovereenkomst was op 25 januari 1996 reeds gesloten tussen moeder en [geïntimeerde]. Vanaf mei 1996 heeft [geïntimeerde] feitelijk het bedrijf alleen geëxploiteerd.

1.6. Een vordering in kort geding tot ontruiming door [appellant] van de door hem bewoonde boerderij is in november 1995 afgewezen. In de bodemprocedure is die vordering van [geïntimeerde] - en aanvankelijk ook van de moeder van partijen tot - ontruiming door [appellant] van de boerderij door het hof bij arrest van 20 maart 2002 afgewezen. Voorts heeft het hof bekrachtigd de beslissing in het vonnis van de rechtbank van 9 januari 1998, waarbij voor recht is verklaard dat de tussen partijen bestaande maatschap wordt geregeerd door de maatschapsovereenkomst van 15 december 1970 en dat, op grond van de gedane opzegging, de maatschap waarvan [appellant] deel uitmaakte per 1 mei 1996 is beëindigd.

1.7. Op 25 september 1997 is moeder overleden. Als erfgenamen heeft moeder achtergelaten haar zonen [geïntimeerde] en [appellant], en een dochter, zuster van procespartijen.

1.8. Precies 6 maanden na het overlijden van moeder is op 25 maart 1998 de akte van toedeling opgemaakt. De boerderijen en landerijen zijn door de drie erfgenamen aan [geïntimeerde] en [appellant] tezamen geleverd, tengevolge waarvan zij elk eigenaar zijn van de onverdeelde helft.

1.9. Een dag eerder, op 24 maart 1998, heeft [geïntimeerde] een door hem opgestelde pachtovereenkomst aan de grondkamer toegezonden ter goedkeuring. Blijkens die overeenkomst is [geïntimeerde] daarbij (a) voor zich zelf opgetreden, als pachter, en (b) in zijn hoedanigheid van onherroepelijk gevolmachtigde van zijn overleden moeder.

2. Uit deze feitenvaststelling blijkt dat van ontruiming van de door [appellant] bewoonde boerderij geen sprake is, zoals door deze terecht is aangevoerd bij grief I in het principaal appel.

3. De inzet van de onderhavige procedure is - kort gezegd - de pachtovereenkomst van 24 maart 1998. In deze pachtovereenkomst heeft [geïntimeerde], handelend voor zich als ook in zijn hoedanigheid van onherroepelijk gevolmachtigde van wijlen zijn moeder, in pacht genomen alle onroerende zaken - zowel de door [appellant] bewoonde boerderij in [woonplaats] als de door hem, [geïntimeerde], bewoonde boerderij in [woonplaats], alsmede alle bijbehorende landerijen - waarvan het gebruik in de maatschap was ingebracht. Als verpachter geldt "de erven [moeder]".

De pachtovereenkomst is ingegaan op 26 september 1997, voor de duur van 12 jaar. Bij beslissing van 11 januari 1999 heeft de Grondkamer Noord de pachtovereenkomst goedgekeurd. Naar aanleiding van de in die procedure opgeworpen bezwaren van [appellant], heeft de Grondkamer als volgt overwogen: "De grondkamer is te dien aanzien van oordeel, dat de enkele omstandigheid, dat de pachter de tekst van de overeenkomst eenzijdig heeft vastgesteld, niet met zich brengt, dat hierdoor de algemene belangen van de landbouw worden geschaad. De beantwoording van de vraag of de onderhavige pachtovereenkomst op andere, in het verbintenissenrecht gelegen gronden nietig of vernietigbaar is, is voorbehouden aan de daartoe bevoegde rechter."

Het hof stelt dan ook vast dat, gelet op het beperkte toetsingskader van de Grondkamer en op hetgeen terzake door de Grondkamer is overwogen, de goedkeuring van de Grondkamer er niet aan in de weg staat dat [appellant] in de onderhavige procedure de nietigheid inroept van de pachtovereenkomst. Het hof onderschrijft derhalve het door [appellant] bij grief II betoogde.

4. Alvorens het hof de grieven in het principaal appel verder zal bespreken, zal het hof de incidentele grieven van [geïntimeerde] beoordelen. Indien een van deze grieven zou slagen, zou een verdere beoordeling van het principaal appel namelijk niet meer aan de orde zijn.

5. In grief 1 in het incidenteel appel maakt [geïntimeerde] bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank, dat geen sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van [appellant]. [geïntimeerde] voert terzake aan dat [appellant] anderhalf jaar heeft gewacht met het aanhangig maken van de onderhavige procedure, nadat de Grondkamer de pachtovereenkomst had goedgekeurd, alsmede dat inmiddels de per 1 mei 1996 geëindigde maatschap fiscaal volledig is afgerekend.

5.1. Naar het oordeel van het hof zijn beide omstandigheden onvoldoende om daaruit de conclusie te trekken dat sprake is van rechtsverwerking. Partijen hebben de afgelopen jaren voortdurend met elkaar over hoop gelegen over de verdeling en afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders, in welk kader dit hof inmiddels in de derde procedure arrest wijst. Daarbij heeft [appellant] ook steeds de geldigheid van de pachtovereenkomst ter discussie gesteld. In dit licht kan [geïntimeerde] bezwaarlijk volhouden dat [appellant] bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij zich zou neerleggen bij de thans bestaande situatie, wat er verder ook zij van de door [geïntimeerde] genoemde omstandigheden.

5.2. Grief 1 in het incidenteel appel faalt.

6. Voorts stelt [geïntimeerde] bij grief 2 in het incidenteel appel, naar het hof begrijpt, dat [appellant] in zijn vordering niet ontvankelijk is op grond van art. 3:171 BW. Het beroep op art. 3:170 lid 3 BW, zoals in de eerste aanleg gevoerd, laat [geïntimeerde] vallen, zo leidt het hof af uit de toelichting op de grief.

6.1. Het hof kan de stellingen van [geïntimeerde] niet volgen. Zoals de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft overwogen, gaat het hier niet om een vordering ingesteld door een deelgenoot namens de gemeenschap, doch om een vordering van de ene deelgenoot tegen de andere deelgenoot. Noch de regeling over het beheer van een gemeenschap noch die over het procederen ten behoeve van de gemeenschap, staan daaraan in de weg.

6.2. Ook grief 2 in het incidenteel appel faalt.

7. Het hof komt thans toe aan de inhoudelijke argumenten die [appellant] heeft opgeworpen ter bestrijding van de geldigheid van de pachtovereenkomst, c.q ter onderbouwing van zijn stelling dat [geïntimeerde] zich niet op die overeenkomst kan beroepen.

8. Daarbij is in de eerste plaats aan de orde het beroep van [appellant] op art. 4:4 lid 2 BW (art. 4:921 lid 2 BW (oud)), zoals neergelegd in grief III. Deze bepaling houdt in dat overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, nietig zijn.

8.1. Uit de stellingen van [appellant] leidt het hof af dat hij zich op het standpunt stelt dat het "pachtbeding", waarmee hij kennelijk doelt op art. 14 lid 1, al dan niet in combinatie met art. 14 lid 4, van de maatschapsovereenkomst, getroffen wordt door art. 4:4 lid 2 BW.

In de bedoelde artikelen is het volgende bepaald:

"artikel 14:

1. Indien bij ontbinding van de maatschap op een der wijzen, als bedoeld bij artikel 11 lid b, c, of d, alsmede in het geval van opzegging door de maat sub 1, zoals hiervoor in artikel 13 omschreven, de maat sub 2 gebruik maakt van het recht als bedoeld in artikel 13, om de zaken der maatschap voort te zetten, heeft de maat sub 2 het recht de alsdan tot het maatschapsvermogen behorende onroerende zaken, alsmede de alsdan aan de maat sub 1 in privé toebehorende onroerende zaken, waaronder het woongedeelte, voor zover ten tijde van vorenbedoelde ontbinding dienstbaar aan het bedrijf der maatschap, te pachten onder de alsdan geldende gebruikelijke en door de grondkamer voor Groningen goed te keuren voorwaarden.

(...)

2. (...)

3. Onverminderd het vorenstaande verleent de maat sub 1 aan de maat sub 2, voor het geval de maat sub 2 gebruik maakt van de hem uit hoofde van het bepaalde bij artikel 13 en het bepaalde bij lid 1 van dit artikel, het recht te allen tijde na het tot stand komen van vorenbedoelde pachtovereenkomst de alsdan bij de maat sub 2 in pacht zijnde onroerende zaken waaronder het woongedeelte, als bedoeld in lid 1 van dit artikel aan te kopen van de maat sub 1, diens rechtverkrijgenden danwel rechtsopvolgers onder algemene titel, zulks voor een waarde vast te stellen met inachtneming van de alsdan lopende pachtovereenkomst (...).

4. De maten verlenen elkaar over en weer een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zulks met de macht van substitutie om voor en namens de uittredende maat al die (rechts) handelingen te verrichten welke ter effectuering van het in dit artikel bepaalde in het belang van de voortzettende maat nodig zijn.

Bedoelde onherroepelijke volmacht omvat mede de bevoegdheid om voor en namens de uittredende maat noodzakelijke leveringshandelingen te verrichten. Bedoelde onherroepelijke volmacht eindigt niet door de dood of ondercuratelestelling van de volmachtgever."

8.2. Uit het bepaalde in art. 14 lid 1van de maatschapsovereenkomst blijkt dat daarin een regeling is getroffen met betrekking tot het pachten van "de alsdan tot het maatschapsvermogen behorende onroerende zaken, alsmede de alsdan aan de maat sub 1 [de moeder] in prive toebehorende onroerende zaken, waaronder het woongedeelte". Gelet hierop moet worden aangenomen dat de regeling van art. 14 betrekking heeft op bepaalde zaken, zodat art. 4:4 lid 2 BW geen toepassing heeft. Dat de regeling ook betrekking kan hebben op zaken die buiten het maatschapsvermogen vallen, doch tot het privé-vermogen van moeder behoorden, doet daaraan niet af. Hierbij zij bedacht dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bedoelde bepaling artikellid slechts een zeer beperkte strekking heeft (TK 1981-1982, 17 141, nr. 3, p. 7 (MvT)).

8.3. De grief faalt.

9. Volgens de wetsgeschiedenis bij art. 4:4 lid 2 BW dient echter in gevallen als deze, ook getoetst te worden aan art. 3:40 lid 1 BW. Daarbij is de uitkomst van de toetsing afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.

Bij grief VIII heeft [appellant] zich op dit artikel beroepen.

Het hof overweegt hierover het volgende.

9.1. Blijkens de notariëel verleden akte van de koopovereenkomst d.d. 24 juli 1987 zoals deze reeds kort is vermeld in r.o. 1.3, heeft vader - in essentie weergegeven - aan [geïntimeerde] en [appellant] tezamen, verkocht de aan hem toebehorende onroerende zaken (twee boerderijen met bijbehorend land), te leveren uiterlijk binnen zes maanden na overlijden van de langstlevende ouder, zulks tegen een koopsom van

f 1.088.292,--. In de akte is voorts bepaald dat het verkochte op de kopers over gaat in de staat waarin het zich op de dag van het transport bevindt, met inbegrip van alle lusten en lasten alsmede heersende of lijdende erfdienstbaarheden.

Nu de akte geen bijzondere bepaling bevat omtrent het aandeel van zowel [geïntimeerde] als [appellant] in de aldus ontstane gemeenschap, heeft te gelden dat ieders aandeel van gelijke omvang is, en dat de draagplicht met betrekking tot de betaling van genoemde koopsom in gelijke delen op elk der deelgenoten rust. De akte bevat geen bepalingen omtrent de bevoegdheid van elk der deelgenoten tot het exploiteren van de tot de gemeenschap behorende goederen, en evenmin is ten processe gebleken dat de deelgenoten daartoe onderling een regeling hebben getroffen, zodat uitgangspunt is dat elk van de deelgenoten bevoegd is tot het gebruik van de tot de gemeenschap behorende goederen, mits dat gebruik met het recht van de overige deelgenoten is te verenigen. De akte behelst geen bijzondere voorziening voor een situatie als de onderhavige waarin [geïntimeerde] - los van zijn uit de thans bedoelde akte en de levering voortvloeiende aandeel in de gemeenschap - uit anderen hoofde, stelt een pachtrecht te kunnen doen gelden op het geheel van de goederen die voorwerp zijn van de thans bedoelde akte.

9.2. Uit meergenoemde akte, zoals deze in met elkaar overeenstemmende afschriften is overgelegd in prima door [geïntimeerde] en in appel door [appellant], blijkt voorts dat bij gelegenheid van het verlijden daarvan tevens voor de notaris is verschenen [moeder], de moeder van partijen, die alstoen heeft verklaard - kortweg - te hebben kennis genomen van de inhoud van de akte en daarmee in te stemmen. Van enig voorbehoud daarbij blijkt niet uit de akte.

9.3. In het licht van het voorgaande kan de stelling van [geïntimeerde], zakelijk weergegeven erop neerkomende dat "vader en moeder een slag om de arm hebben gehouden met betrekking tot de koopovereenkomst" terwijl het aan vader vrijstond om aan moeder de mogelijkheid te geven om "alle juridische handelingen te verrichten op grond waarvan [geïntimeerde] de landerijen alleen kon exploiteren", van welke bevoegdheid moeder gebruik heeft gemaakt en hetgeen heeft geresulteerd in de door haar bij onherroepelijke volmacht aan [geïntimeerde] verschafte mogelijkheid tot vestiging van een pandrecht, van welke volmacht [geïntimeerde] te zijnen behoefte de dag voor de levering van de gemeenschappelijke zaken aan hem en aan [appellant] gebruik heeft gemaakt, niet worden aanvaard.

9.4. Het gevolg van de verpachting door [geïntimeerde] van alle aan hem en [appellant] in onverdeelde eigendom toebehorende zaken, is dat [appellant] in zijn belangen ernstig is benadeeld. Zijn aandeel in de onverdeelde eigendom is immers, buiten zijn instemming om, belast met pacht, waardoor hij, na verdeling, genoegen moet nemen met een deel van de onroerende zaken in belaste staat. Niet alleen is hem daardoor de mogelijkheid ontnomen vrij te beschikken over die zaken. Bovendien is de waarde van de zaken daardoor substantieel afgenomen, waarbij nog zij opgemerkt dat de maatschapsovereenkomst ook bepaalt dat de waardering van het maatschapsvermogen dient plaats te vinden op de waarde in verpachte staat (art. 12). Zo [appellant] dus genoegen zou nemen met toedeling van een som geld in plaats van een deel van de onroerende zaken, dan is ook in dat geval sprake van benadeling door de pachtovereenkomst. Dit geldt temeer nu [geïntimeerde], na verdeling, wel de beschikking zal krijgen over de volle eigendom van de hem toebedeelde zaken, nu in dat geval de pachtovereenkomst zal komen te vervallen, aangezien dan pacht en eigendom in één hand komen.

Hierbij moet voorts worden bedacht dat tot het maatschapsvermogen niet alleen de landerijen behoren, maar ook twee woonhuizen, waarvan één door [geïntimeerde] en één, sinds 1962, onafgebroken door [appellant] met zijn gezin is bewoond. [appellant] is dus ook geconfronteerd met een verpachting van het door hem bewoonde huis aan [geïntimeerde]. Dit alleen al acht het hof onaanvaardbaar.

9.5. De rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant], als deelgenoten in een gemeenschap, wordt beheerst door hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In het voorgaande ligt besloten dat [geïntimeerde] jegens [appellant] heeft gehandeld geheel in strijd met hetgeen deze eisen in het onderhavige geval meebrengen.

Nog daargelaten de - ontkennend te beantwoorden - vraag of het moeder, gezien haar onvoorwaardelijke instemming met de akte d.d. 24 juli 1987, vrij stond om een volmacht te verlenen op basis waarvan de rechten die [appellant] kan ontlenen aan bedoelde akte zouden worden bekort, geldt met betrekking tot [geïntimeerde] als deelgenoot van [appellant] in een gemeenschap (aanvankelijk bestaande in het gezamenlijke recht op levering van de verkochte zaken, en naderhand in de gemeenschappelijke eigendom van die zaken) dat deze zich diende te onthouden van het verrichten van rechtshandelingen die ten nadele strekken van zijn mede-deelgenoot [appellant]. Door niettemin ten eigen bate en ten nadele van [appellant] gebruik te maken van de mogelijkheid die de door moeder verleende volmacht hem bood en het pachtrecht te vestigen, heeft [geïntimeerde] in een zodanige mate gehandeld in strijd met de letter en de geest van meerbedoelde akte en met hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid tussen de deelgenoten meebrengt, dat daarmee in de zin van art. 3:40 lid 1 BW sprake is van een rechtshandeling in strijd met de goede zeden. Immers, dit handelen heeft tot strekking het bekorten van de rechten en dus van het benadelen van [appellant], van welke strekking - als blijkt uit de in r.o. 9.3 genoemde stellingen van [geïntimeerde] en als voorts naar haar aard besloten ligt in de rechtshandelingen zelf - zowel moeder als [geïntimeerde] zich bewust waren.

Daarmee is met betrekking tot het samenstel van de volmachtsverlening en de daaruit voortgevloeide vestiging van het pachtrecht, sprake van nietige rechtshandelingen, op welke nietigheid [appellant] (als rechtstreeks belanghebbende) met juistheid een beroep heeft gedaan. Hieruit vloeit voort dat het door [geïntimeerde] te zijnen behoefte gevestigde pachtrecht non-existent is.

9.6. Grief VIII in het principaal appel slaagt.

10. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering van [appellant] (sub 2) tot nietigverklaring van de pachtovereenkomst, toewijsbaar is.

Nu niet gesteld of gebleken is dat [appellant] een ander belang heeft bij de door hem (sub 1) gevorderde nietigverklaring van de onherroepelijke volmacht aan [geïntimeerde], dan nietigheid van de pachtovereenkomst, en dit laatste, zoals hiervoor is overwogen, zal worden toegewezen, kan een verdere bespreking van de geldigheid van die volmacht verder achterwege blijven. Ook overigens behoeven de nog resterende grieven van [appellant] geen bespreking meer.

11. De nietigverklaring van de pachtovereenkomst brengt met zich dat [geïntimeerde] na 25 maart 1998, het moment waarop alle onroerende zaken aan [appellant] en [geïntimeerde] tezamen zijn geleverd, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door alleen, met uitsluiting van [appellant], de aan hen beiden in onverdeelde eigendom toebehorende onroerende zaken te exploiteren.

Bij afwezigheid van enige beheersregeling als bedoeld in art. 3:168 BW is immers iedere deelgenoot in een gemeenschap bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed (art. 3: 169 BW).

Ook de vordering van [appellant] sub 3 zal het hof derhalve toewijzen.

12. De vordering van [appellant] (sub 4) tot een gebod aan [geïntimeerde] om het bedrijf tezamen met hem te exploiteren, zal het hof niet toewijzen. Het hof overweegt daartoe dat het niet zinvol is om partijen in de onderhavige situatie, waarin sprake is van totaal verstoorde verhoudingen, te dwingen tot samenwerking bij de dagelijkse uitoefening van het agrarisch bedrijf. In plaats daarvan ligt het in de rede dat [geïntimeerde] aan [appellant] de schade vergoedt die laatstgenoemde heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde]. Deze schade kan worden opgemaakt bij staat. De betreffende vordering van [appellant] (sub 5) zal dan ook worden toegewezen.

Slotsom

13. De slotsom is dat de grieven I, II en VIII in het principaal appel slagen. Hetgeen door [appellant] na wijziging van eis is gevorderd, zal hem worden toegewezen zoals hieronder in het dictum is neergelegd. De overige grieven in het principaal appel falen c.q. kunnen verder onbesproken blijven. De grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel falen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] de kosten van de procedure in eerste aanleg, als ook die van het principaal appel en het voorwaardelijk incidenteel appel dienen te dragen. De kosten van het incident zullen aan de zijde van [geïntimeerde] op nihil worden begroot.

Beslist wordt als volgt.

De beslissing

het gerechtshof:

in het principaal appel:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 26 mei 2000;

en opnieuw rechtdoende:

(1) verklaart de pachtovereenkomst d.d. 24 maart 1998, zoals deze nader is omschreven in rechtsoverweging 1.9, nietig;

(2) verklaart voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door vanaf 25 maart 1998 alleen en met uitsluiting van [appellant], de aan hen beiden in onverdeelde eigendom toebehorende onroerende zaken te exploiteren;

(3) veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding aan [appellant] van alle geleden en nog te lijden schade van laatstgenoemde, als gevolg van het onder (2) bedoelde onrechtmatig handelen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke rente over het vast te stellen schadebedrag met ingang van 25 maart 1998 en verder met ingang van het moment dat de nog vast te stellen schadebedragen door [appellant] daadwerkelijk zijn geleden, tot die der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure en begroot die tot aan

deze uitspraak aan de zijde van [appellant]

in eerste aanleg: op € 227,30 aan verschotten en € 1.170,-- voor salaris voor de

procureur;

in het principaal appel: op € 269,50 aan verschotten en € 771,-- voor salaris

voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in het voorwaardelijk incidenteel appel:

verwerpt het voorwaardelijk ingestelde incidenteel appel;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel appel

en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] op nihil

voor verschotten en € 385,50 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en De Bock, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 7 mei 2003.