Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8339

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
BK 108/96 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0957

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 108/96 2 mei 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de belastingdienst te Hoogeveen, thans het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1991.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 16 juni 1992 heeft belanghebbende aangifte gedaan over 1991 van een belastbaar inkomen van ƒ 85.541,--. De primitieve aanslag werd conform dit aangegeven belastbaar inkomen vastgesteld. Naar aanleiding van verkregen informatie van de eenheid Ondernemingen van de belastingdienst te Emmen/ vestiging Assen is met dagtekening 26 juni 1995 aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 opgelegd naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet) van ƒ 100.541,--. In de navorderingsaanslag is een boete begrepen van 50%.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 11 januari 1996 afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift, hetwelk op 6 februari 1996 is ingekomen, en is aangevuld bij brief d.d. 5 maart 1996 welke brief op 11 maart 1996 ter griffie van het hof is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 30 mei 1996 een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden.

De zaak is vervolgens mondeling behandeld ter zitting van 14 december 1996, gehouden te Assen, alwaar aanwezig waren belanghebbende en zijn gemachtigde, de heer A, en de inspecteur bijgestaan door een medewerker van zijn inspectie. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd. De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 13 juli 2001 te Leeuwarden. De inspecteur is ter zitting verschenen. De gemachtigde van belanghebbende is met een daartoe strekkend bericht niet verschenen. De als getuige opgeroepen heer B, is niet verschenen. De mondelinge behandeling is vervolgens voortgezet ter zitting d.d. 9 november 2001 te Assen. Partijen zijn, hoewel correct opgeroepen per aangetekend schrijven, niet verschenen. De eveneens correct opgeroepen getuige, de heer B, is evenmin verschenen. De voorzitter heeft ter zitting meegedeeld voornemens te zijn artikel 15 lid twee van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toe te passen en daartoe bevolen dat de heer B zal worden opgeroepen tegen het tijdstip waarop met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. De mondelinge behandeling is voortgezet op 27 januari 2003, welke zitting is gehouden te Leeuwarden. De regiopolitie Twente District Zuid-Twente, afdeling Bijzondere Taken te Enschede heeft uitvoering te geven aan het bevel tot medebrengen van de getuige, de heer B. De inspecteur en belanghebbende zijn uitgenodigd bij het getuigenverhoor aanwezig te zijn, doch zij zijn niet verschenen. De voorzitter heeft ter voormelde zitting de heer B als getuige gehoord. Van de door hem afgelegde verklaring is een proces-verbaal opgemaakt, dat door de getuige is ondertekend.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 Belanghebbende was het gehele jaar als vestigingsdirecteur in dienstbetrekking bij C B.V. te L (: C). Tot de leveranciers van deze vennootschap behoorde onder meer het technische handels- en adviesbureau D B.V. te M (: D). De contactpersoon van dit bedrijf was de heer B (: B). C was een tamelijk grote klant van D.

2.3 Belanghebbende heeft op 16 juni 1992 aangifte gedaan over 1991 van een belastbaar inkomen van ƒ 85.541,--. De primitieve aanslag, met de dagtekening d.d. 27 februari 1993 werd conform dit aangegeven belastbaar inkomen vastgesteld.

2.4 Op 4 maart 1994 ontving de inspecteur van de belastingdienst Ondernemingen Emmen/ Vestiging Assen een schrijven waarin werd gevraagd na te gaan of de door D opgegeven inkomsten ten name van belanghebbende, door belanghebbende waren aangegeven. Aan deze informatie lag een onderzoek ten grondslag waaruit was gebleken dat enkele werknemers van C, waaronder belanghebbende, zogenaamde smeergelden hadden ontvangen. Het ging daarbij om als kosten opgenomen bedragen in de boekhouding over 1991 van D.

2.5 Het aan belanghebbende uitbetaalde bedrag bleek niet in zijn aangifte te zijn vermeld. Belanghebbende werd daarop, aanvankelijk schriftelijk, om uitleg gevraagd. Tijdens een in september 1994 gevoerd gesprek tussen de inspecteur en belanghebbende deelde deze laatste mee dat hij in 1991 van B een bedrag van ƒ 13.500,-- te leen heeft ontvangen. Hiervan was geen schuldbekentenis opgemaakt. Belanghebbende stelde dit bedrag vervolgens zelfstandig te hebben verhoogd tot

ƒ 15.000,-- omdat hij, hoewel dit niet was afgesproken, een rentevergoeding wilde betalen. Feitelijk, zo stelde hij, heeft hij slechts ƒ 13.500,-- in handen gehad. In november 1992 werd belanghebbende door zijn werkgever op non actief gesteld. Dit is onderwerp van een juridisch geschil geweest en aan belanghebbende is in dat kader een schadeloosstelling toegekend. Uit deze schadeloosstelling heeft belanghebbende in 1993 het geleende geld in twee termijnen aan B terugbetaald. Belanghebbende deelde mee contact op te zullen nemen met B teneinde B voormeld verhaal schriftelijk te laten bevestigen. De inspecteur heeft een dergelijke verklaring niet ontvangen. Op 1 december 1994 vond opnieuw een gesprek plaats ter inspectie waarbij naast belanghebbende ook B aanwezig was. B bevestigde in dit gesprek dat sprake was geweest van een lening, en hij zegde toe dit schriftelijk te bevestigen. Belanghebbende heeft vervolgens kopieën van 8 afschriften van contante opnames van een spaarrekening in de periode van december 1993 tot en met juli 1994 aan de inspecteur gezonden. De toegezegde verklaring van B heeft de inspecteur echter niet ontvangen. Naar aanleiding van een telefonisch gesprek met de inspecteur heeft B bij telefax d.d. 20 februari 1995 meegedeeld dat D B.V. niet verantwoordelijk was voor de belastingaanslag van belanghebbende. Belanghebbende heeft hierop op 16 maart 1995 telefonisch en vervolgens bij brief d.d. 17 april 1995 aan de inspecteur meegedeeld, opnieuw contact op te zullen nemen met B. Een schriftelijke verklaring van B is echter uitgebleven.

2.6 De inspecteur heeft hierop de eenheid Ondernemingen van de belastingdienst te Emmen/ vestiging Assen verzocht een onderzoek in te stellen bij D. Bij brief d.d. 8 mei 1995 wordt namens voormelde eenheid verslag gedaan van het uitgevoerde onderzoek. De conclusie luidt dat belanghebbende smeergelden ad ƒ 15.000,-- heeft ontvangen, dat geen sprake is geweest van een lening en dat er geen bedragen zijn terugbetaald.

2.7 De inspecteur heeft vervolgens de navorderingsaanslag op 15 mei 1995 vastgesteld, welke belanghebbende met dagtekening d.d. 26 juni 1995 heeft ontvangen. In afwijking van de aangifte werd belanghebbende in de navorderingsaanslag aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.541,--. In dit bedrag is het bij de primitieve aanslag vastgesteld belastbaar inkomen ad ƒ 85.541,-- begrepen alsook de niet aangegeven inkomsten ad ƒ 15.000,--. Van de opgelegde boete van 100% werd 50% door de inspecteur kwijtgescholden.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2 Belanghebbende is van mening dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat de inspecteur niet heeft bewezen dat er sprake was van een arbeidsverhouding tussen D en belanghebbende. De ontvangen geldsom betrof een lening die inmiddels volledig is terugbetaald. Het bestaan van deze lening is aan de hand van bankafschriften en de mondelinge verklaring van de geldverstrekker voldoende aannemelijk gemaakt.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de kwalificatie die hij aan het door belanghebbende ontvangen bedrag heeft gegeven, namelijk inkomen, juist is.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Tijdens de mondelinge behandelingen hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Belanghebbende erkent in 1991 ƒ 13.500,-- van D te hebben ontvangen en stelt voorts totaal ƒ 15.000,-- in 1993 en in 1994 aan D te hebben terugbetaald. Partijen verschillen derhalve van mening omtrent de titel waaronder de betaling is verricht en deels over de hoogte van het bedrag.

4.2 B heeft ter zitting van 27 januari 2003 als getuige het volgende verklaard:

"Juist is wat ik in mijn brief van 30 oktober1992 heb geschreven, dat ik in 1991 aan onder meer X een bedrag van

ƒ 15.000,-- heb betaald. Dit bedrag hield verband met omzetbedragen, die X mij opleverde. Onjuist is zijn mededeling, dat het hier een lening betrof, die hij mij later heeft terugbetaald. Die ƒ 15.000,-- is in verschillende deelbedragen betaald, telkens afhankelijk van de gerealiseerde omzet. Soms werden bedragen wel vooruitbetaald."

4.3 Op basis van deze verklaring, en voorts in aanmerking genomen de hiervoor onder 2.5 vermelde feiten is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een te belasten vergoeding ten belope van ƒ 15.000,--. De stelling van belanghebbende dat aan hem een bedrag van ƒ 13.500,-- is geleend, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Het ontbreken van een overeenkomst van geldlening, dan wel een schuldbekentenis, het voorts ontbreken van een overeengekomen rente en een aflossingstermijn, terwijl sprake was van een zakelijke relatie tussen belanghebbende en B, zijn met voormelde stellingname in strijd. De opnames van de spaarrekening zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van de boete

4.4 Het tijdsbestek van de procedure in beroep welke is aangevangen met de indiening van het beroepschrift op 6 februari 1996 tot de datum van de onderhavige uitspraak, is naar het oordeel van het hof van zodanige omvang dat niet kan worden gesteld dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals is bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit oordeel vormt voor het hof reden de opgelegde boete te verlagen tot nihil.

5. De conclusie.

Het beroep is in zoverre gegrond.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht, gelet op de aard van de gegrond verklaring, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in art 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

handhaaft de opgelegde navorderingsaanslag voor wat betreft de enkelvoudige belasting;

scheldt de bij de navorderingsaanslag opgelegde boete kwijt;

verstaat dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 34,03 aan hem vergoedt.

Gedaan op 2 mei 2003 door mr Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 7 mei 2003