Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8133

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
Rekestnummer 0300012
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 1 mei 2003

Rekestnummer 0300012

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna ook te noemen: de moeder,

procureur mr R.A. Schütz,

advocaat mr J. Dam-de Haan,

tegen

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna ook te noemen: de pleegouders,

procureur mr P.R. van den Elst,

advocaat mr A.M. Boogaart.

Belanghebbenden:

Werkstichting Jeugdbescherming,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: de gezinsvoogdij-instelling,

gemachtigde [gemachtigde],

en

[belanghebbende 2],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

hierna ook te noemen: de vader.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 16 oktober 2002 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Groningen de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige], geboren op 22 oktober 1998, met een jaar verlengd, ingaande op 1 december 2002, met behoud van de Werkstichting Jeugdbescherming te [vestigingsplaats] als gezinsvoogdij-instelling. Voorts heeft de kinderrechter het besluit van de gezinsvoogdij-instelling tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij haar moeder vernietigd en tevens afgewezen het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling tot vervanging van haar als gezinsvoogdij-instelling door de Stichting Jeugdzorg [andere vestigingsplaats].

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 januari 2003, heeft de moeder verzocht de beschikking van 16 oktober 2002 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de beslissing van de gezinsvoogdij-instelling tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder te bekrachtigen, met toewijzing van het verzoek tot wijziging van de gezinsvoogdij-instelling.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 februari 2003, hebben de pleegouders het verzoek bestreden en verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans dit hoger beroep af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof zal vermenen te behoren. Voorts hebben de pleegouders verzocht de beschikking van 16 oktober 2002 te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 31 januari 2003 met bijlagen van de gezinsvoogdij-instelling.

Ter zitting van 20 februari 2003 is de zaak behandeld.

De beoordeling

De inleiding

1. [in] 1998 is [de minderjarige] geboren. [de minderjarige] is door haar vader erkend. In december 1998 zijn de ouders van [de minderjarige] met elkaar in het huwelijk getreden. In januari 1999 heeft de moeder van [de minderjarige] de echtelijke woning verlaten. Sindsdien verblijft [de minderjarige] bij haar grootvader van vaderszijde en zijn tweede echtgenote, die vanaf dat moment feitelijk als pleegouders van [de minderjarige] fungeren. Het huwelijk van de ouders van [de minderjarige] is [in] augustus 1999 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2. Bij beschikking van 29 februari 2000 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Assen - voor zover hier van belang - bepaald dat het gezag over [de minderjarige] aan de vader alleen toekomt. Het hof heeft bij beschikking van 10 oktober 2001 in hoger beroep daarentegen bepaald dat het gezag over [de minderjarige] aan de moeder alleen toekomt.

3. Bij beschikking van 1 december 1999 van de kinderrechter in de rechtbank te Groningen is [de minderjarige] onder toezicht van de gezinsvoogdij-instelling gesteld voor de duur van één jaar en is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend, beide met ingang van 1 december 1999.

De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij de beschikking waarvan beroep en wel voor de duur van één jaar, met ingang van 1 december 2002. Bij beschikking van 21 november 2002 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Groningen de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van zes maanden, met ingang van 1 december 2002.

4. Bij verzoekschrift van 20 september 2002 heeft de gezinsvoogdij-instelling zich gewend tot de kinderrechter in de rechtbank te Groningen, met het verzoek tot verlenging van de termijn van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en tot vervanging van haar als gezinsvoogdij-instelling door de Stichting Jeugdzorg [andere vestigingsplaats]. Daarbij heeft de gezinsvoogdij-instelling tevens kenbaar gemaakt haar besluit tot wijziging van de huidige verblijfplaats van [de minderjarige], inhoudende dat [de minderjarige] rond haar vierde verjaardag, derhalve [eind] 2002, zal worden teruggeplaatst in het gezin van haar moeder. Tegen dat besluit hebben de pleegouders bezwaar gemaakt en zij hebben de kinderrechter verzocht voornoemd besluit van de gezinsvoogdij-instelling te vernietigen.

5. De kinderrechter heeft bij de beschikking waarvan beroep beslist op de door de gezinsvoogdij-instelling gedane verzoeken tot verlenging van de termijn van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling. Daarnaast heeft de kinderrechter beslist op het verzoek van de pleegouders om het besluit van de gezinsvoogdij-instelling, strekkende tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, te vernietigen.

De omvang van het hoger beroep

6. Blijkens het beroepschrift richt het hoger beroep van de moeder zich uitsluitend tegen de beslissing van de kinderrechter tot vernietiging van het besluit van de gezinsvoogdij-instelling tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder alsmede tegen de afwijzing door de kinderrechter van het verzoek tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling. Het hof zal het hoger beroep dan ook in die zin beperkt opvatten.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de beslissing van de kinderrechter ten aanzien van de vervanging van de gezinsvoogdij-instelling

7. Op grond van het bepaalde in artikel 1:254, vierde lid, BW, kan op verzoek van onder meer de gezinsvoogdij-instelling de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere.

8. In artikel 807, aanhef en onder a., Rv, is bepaald dat tegen een beschikking ingevolge artikel 1:254, vierde lid, BW, geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet.

9. Gelet op het vorenoverwogene kan de moeder niet worden ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 16 oktober 2002 van de kinderrechter in de rechtbank te Groningen, voor zover daarbij het verzoek tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling is afgewezen.

De terugplaatsing van [de minderjarige]

De standpunten

10. De moeder stelt dat [de minderjarige] moet worden teruggeplaatst in het gezin van de moeder. Daartoe voert zij aan dat haar gezinssituatie aanzienlijk is verbeterd. Sinds 1999 woont de moeder samen met haar nieuwe partner. De (half)zus en -broer van [de minderjarige], [half-zus] en [half-broer], maken inmiddels ook deel uit van het gezin van de moeder en de nieuwe partner. De eerder bepaalde ondertoezichtstelling van [half-zus] is beëindigd.

De enige reden waarom de terugplaatsing van [de minderjarige] tot op heden niet tot stand is gebracht, is volgens de moeder de omstandigheid dat de pleegouders van [de minderjarige] de voor een terugplaatsing noodzakelijk geachte uitbreiding van het contact tussen haar en [de minderjarige] in de weg staan. De relatie tussen de pleegouders en de moeder van [de minderjarige] is niet goed, hetgeen mede verklaard wordt uit de omstandigheid dat de pleegouders tevens de grootouders van [de minderjarige] zijn. Het is niet goed voor [de minderjarige] haar nog langer in het spanningsveld tussen de moeder en de pleegouders te laten verkeren.

Het zou volgens de moeder de voorkeur verdienen dat het contact tussen haar en [de minderjarige] ter voorbereiding op een terugplaatsing wordt uitgebreid. Nu dat door de houding van de pleegouders onmogelijk is gebleken, zal de terugplaatsing abrupt moeten plaatsvinden. Het is in het belang van [de minderjarige] dat zij wordt opgevoed en verzorgd door haar moeder.

De moeder verwijst naar de conclusies uit het rapport van Accàre, polikliniek kinder- en jeugdpsychiatrie, die geen contra-indicaties voor terugplaatsing van [de minderjarige] in het gezin van de moeder inhouden.

Ten slotte acht de moeder het op dit moment niet aangewezen dat er nader onderzoek wordt verricht, zoals de pleegouders voor ogen staat.

11. De pleegouders zijn van mening dat [de minderjarige] thans niet moet worden teruggeplaatst in het gezin van de moeder.

De pleegouders betwisten dat de gezinssituatie van de moeder is verbeterd. Zij kenschetsen die nog immer als zorgelijk. Het gezin is volledig hulpafhankelijk, terwijl de moeder er in het verleden blijk van heeft gegeven slecht te kunnen samenwerken met de hulpverleningsinstanties. De draaglast van het gezin van de moeder is groot, terwijl de draagkracht zeer beperkt is. Net als vroeger ziet de moeder de problemen van haar gezin niet onder ogen. Als [de minderjarige] in het gezin van de moeder terugkeert, is zij met haar belaste voorgeschiedenis als pleegkind - naast [half-zus] en [half-broer] - het derde probleemkind. Niet alleen is dat belastend voor het gezin van de moeder, maar ook is dat niet in het belang van [de minderjarige].

Voorts voeren de pleegouders aan dat de moeder geen band met [de minderjarige] heeft. Aan de pleegouders is [de minderjarige] evenwel erg gehecht. Het doorbreken van die hechtingsband mag men [de minderjarige] niet aandoen, mede gelet op de omstandigheid dat [de minderjarige] reeds eerder en op zeer jonge leeftijd een onthechtingsproces heeft doorgemaakt.

Voor er ook maar sprake kan zijn van terugplaatsing van [de minderjarige] zal het contact tussen haar en haar moeder onder professionele begeleiding moeten worden uitgebreid. Op die manier kan gewerkt worden aan het ontstaan van een band tussen de moeder en [de minderjarige]. Bovendien moet er - voordat er van terugplaatsing sprake kan zijn - nader onderzoek worden gedaan naar de pedagogische kwaliteiten van de moeder en haar partner, naar de effecten van een mogelijke abrupte terugplaatsing op [de minderjarige] en naar de vraag of terugplaatsing in haar belang is.

12. De gezinsvoogdij-instelling stelt voorop dat het voor [de minderjarige] het beste zou zijn als zij geleidelijk zou worden voorbereid op een terugplaatsing bij haar moeder, door uitbreiding van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder. De relatie tussen partijen is echter zodanig moeizaam dat dat niet mogelijk is. [de minderjarige] voelt de spanningen tussen haar pleegouders en haar moeder haarfijn aan, en reageert daarop.

De gezinsvoogdij-instelling benadrukt dat geen enkel onderzoek verandering in de thans ontstane patstelling kan brengen.

Tenslotte licht de gezinsvoogdij-instelling het moment van de voorgenomen terugplaatsing toe. Door de eerdergenoemde spanningen tussen de pleegouders en de moeder is besloten eerder, te weten rond de vierde verjaardag van het kind, tot thuisplaatsing over te gaan dan gebruikelijk, te weten rond de zesde verjaardag van het kind.

13. De medewerker van de raad voor de kinderbescherming acht een uitgebreide omgangsregeling in beginsel van groot belang voor terugplaatsing van [de minderjarige]. Tevens is nodig dat de pleegouders zich er terdege van bewust zijn dat [de minderjarige] op enig moment naar haar moeder teruggaat.

Aan de andere kant wijst de medewerker van de raad voor de kinderbescherming er op dat de voortzetting van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] de huidige spanningen tussen de pleegouders en de moeder geenszins weg kan nemen.

De overwegingen

14. Het hof acht zich op grond van de stukken en de behandeling ter zitting voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat er geen noodzaak bestaat om (weer) een nader onderzoek te gelasten.

15. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken. [de minderjarige] verblijft sinds zij twee maanden oud is bij haar grootvader en zijn tweede echtgenote in [woonplaats]. Ten aanzien van de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn tot op heden geen bijzonderheden te melden.

De moeder van [de minderjarige] heeft sinds het begin van 1999 een relatie met haar huidige partner. Zij wonen samen in [woonplaats]. Van het gezin van de moeder maken onder meer de (half)zus en -broer van [de minderjarige], [half-zus] en [half-broer], deel uit. De eerder bepaalde ondertoezichtstelling van [half-zus] is beëindigd.

De omgang tussen [de minderjarige] en haar moeder vindt thans gedurende één zaterdag per twee weken bij de moeder plaats.

16. Vooropgesteld moet worden dat uit een evaluatierapport van de gezinsvoogdij-instelling van 22 september 2002 en de behandeling ter zitting naar voren is gekomen dat de gezinssituatie van de moeder en haar huidige partner in de afgelopen jaren sterk is verbeterd en dat zij veel baat hebben bij de hun geboden en door hen ook aanvaarde hulpverlening. De gezinsvoogdij-instelling acht de moeder onder die voorwaarden in staat de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ter hand te nemen.

17. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is er sinds het najaar van 2001 op gericht geweest de ontwikkeling van een band tussen [de minderjarige] en haar moeder mogelijk te maken met als einddoel de terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Terwijl de moeder in de periode van 1 oktober 2000 tot 1 oktober 2001 maandelijks één uur omgang had met [de minderjarige] in het kantoor en onder begeleiding van de gezinsvoogdij-instelling, is de omgang in de periode van oktober 2001 tot heden uitgebreid van éénmaal per drie weken drie uur naar één zaterdag per twee weken bij de moeder thuis.

18. Blijkens de stukken en de mededelingen van de gezinsvoogdij-instelling ter zitting is uitbreiding van de thans bestaande omgang tussen de moeder en [de minderjarige] niet mogelijk, althans kan een dergelijke uitbreiding niet bereikt worden zonder een onaanvaardbare toename van de spanningen tussen de pleegouders en de moeder van [de minderjarige], hetgeen zijn weerslag heeft op [de minderjarige].

19. In beginsel is het in het belang van [de minderjarige] dat zij geleidelijk wordt voorbereid op een terugplaatsing bij haar moeder. Nu echter een geleidelijke overgang van [de minderjarige] van haar pleegouders naar haar moeder niet mogelijk blijkt te zijn, heeft de gezinsvoogdij-instelling naar het oordeel van het hof terecht besloten [de minderjarige] abrupt terug te plaatsen bij haar moeder.

20. Derhalve dient het inleidende verzoek van de pleegouders strekkende tot vernietiging van het besluit van de gezinsvoogdij-instelling tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder te worden afgewezen.

De slotsom

21. Op grond van het voorgaande zal het hof de moeder deels niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep en voorts de beschikking waarvan beroep - voor zover het hoger beroep daartegen overigens is gericht - vernietigen en opnieuw recht doen zoals hieronder weergegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beschikking van 16 oktober 2002 van de kinderrechter in de rechtbank te Groningen, voor zover daarbij is afgewezen het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling;

vernietigt voormelde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te Groningen, voor zover daarbij is vernietigd het besluit van de gezinsvoogdij-instelling tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijst af het inleidende verzoek van de pleegouders om het besluit van de gezinsvoogdij-instelling, strekkende tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, te vernietigen.

Aldus gegeven door mrs Wachter, voorzitter, Melssen en Tromp, raden, en uitgesproken door mr Boon, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw De Groot als griffier ter bijzondere openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 1 mei 2003.