Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8130

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
rekestnummer 0300106
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak d.d. 1 mei 2003

Rekestnummer 0300106

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

De meervoudige raadkamer voor de behandeling van een verzoek tot wraking heeft de volgende uitspraak gedaan op het schriftelijke wrakingsverzoek van

[verzoeker],

verblijvende in de Mesdagkliniek te Groningen, Engelse kamp 5,

verzoeker,

hierna te noemen: [verzoeker].

met betrekking tot de behandeling van de door [verzoeker] op grond van art. 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediende klachten tegen de beslissing van de officier van justitie tot het niet strafrechtelijk vervolgen van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (klachtnummer 02-191) en van [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] (klachtnummer 02-120).

Het procesverloop

Bij brief van 5 maart 2003, bij het gerechtshof ingekomen ter griffie op 14 maart 2003, heeft [verzoeker] een verzoek gedaan tot wraking van mr [raadsheer], één van de behandelende raadsheren in voormelde zaken.

Op grond van het door [verzoeker] gedane verzoek tot wraking is aanstonds de behandeling van de klachten op grond van art. 12 Sv zaak geschorst en aangehouden totdat op het verzoek tot wraking zal zijn beslist.

De stukken zijn vervolgens in handen gesteld van deze meervoudige kamer van het hof, waarin de raadsheer van wie wraking is verzocht, geen zitting heeft, teneinde met inachtneming van het bepaalde in art. 515 Sv, het verzoek tot wraking te behandelen en hierop te beslissen.

Mr [raadsheer] heeft de meervoudige kamer medegedeeld dat hij niet berust in de wraking.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de brief van [verzoeker] van 15 april 2003, ingekomen ter griffie op 16 april 2003.

Het verzoek tot wraking is behandeld op 17 april 2003.

Verzoeker is, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van [verzoeker]

1. Ingevolge artikel 512 Sv kan op verzoek van een verdachte of het openbaar ministerie een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt. De klager in een artikel 12 Sv-procedure wordt in voornoemd artikel niet genoemd. [verzoeker], wiens wrakingsverzoek thans aan de orde is, is klager in een artikel 12 Sv-procedure. Het hof ziet zich derhalve voor de vraag geplaatst of [verzoeker] in zijn verzoek tot wraking kan worden ontvangen.

2. Het hof neemt bij de beantwoording van deze vraag tot uitgangspunt dat onpartijdigheid van een rechter een zo fundamenteel rechtsbeginsel is dat het tot uitdrukking dient te komen en erkenning verdient in iedere vorm van rechtspraak. Een ieder die meent dat dit beginsel, door een rechter belast met de beoordeling van zijn belangen, wordt geschonden of zal worden geschonden en uit dien hoofde de rechter wraakt, behoort in beginsel gehoor te vinden.Wanneer een geldende wettelijke regeling ontbreekt of wanneer die hiaten vertoont, dient de rechter die het wrakingsverzoek te beoordelen krijgt daarin te voorzien waartoe aansluiting kan worden gezocht bij bestaande regelingen.

3. Op deze grond is het hof van oordeel dat de klager in een artikel 12 Sv-procedure de raadsheren belast met de behandeling van zijn klacht in beginsel kan wraken. Voor de procedure-regels wordt aansluiting gevonden bij die van de artikelen 512 e.v. Sv.

4. [verzoeker] kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek tot wraking.

Het verzoek tot wraking

5. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter die de zaak behandelt, dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is (de subjectieve onpartijdigheid).

6. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven om te vrezen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, nu rechtzoekenden vertrouwen in het rechterlijk apparaat moeten kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn aan onpartijdigheid (de objectieve onpartijdigheid).

7. [verzoeker] verzoekt het hof te beslissen dat mr [raadsheer] voor beide -hiervoor met klachtnummers 02-191 en 02-120 aangeduide- zaken wordt gewraakt en hem geen verdere bemoeienis met die zaken te laten hebben. [verzoeker] baseert zijn verzoek op de stelling dat de onpartijdigheid van mr [raadsheer] schade lijdt en voert daartoe onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende aan:

a. Mr [raadsheer], die lid is van de commissie van toezicht van de penitentiaire inrichting Noord, locatie De Marwei, te Leeuwarden, heeft als zijn mening te kennen gegeven dat de klachten van [verzoeker], die onder andere betrekking hebben op [betrokkene 1], ex-voorzitter van de commissie van toezicht bij de Mesdagkliniek te Groningen, voorgelegd moeten worden aan de commissie van toezicht van de Mesdagkliniek.

b. Mr [raadsheer] en de griffier dronken tijdens het verhoor van [verzoeker] koffie op het moment dat [verzoeker] zijn klachten op een belangrijk punt toelichtte.

c. De klacht die [verzoeker] als eerste heeft ingediend (nummer 02-120) is gelijktijdig behandeld met de klacht die hij als tweede heeft ingediend (nummer 02-191).

d. Het hof heeft [verzoeker] geen ontvangstbevestiging gestuurd van diens laatste drie klachten ex artikel 12 Sv tegen functionarissen van de Mesdagkliniek.

8. Mr [raadsheer] heeft naar aanleiding van de hiervoor onder a vermelde opmerking van [verzoeker] verklaard dat hij, in zijn hoedanigheid van rechter-commissaris in de door [verzoeker] ingestelde artikel 12 Sv-procedure, [verzoeker] in de Mesdagkliniek, vergezeld van een griffier, in aanwezigheid van een advocaat-generaal heeft opgezocht en gehoord. [raadsheer] heeft bij die gelegenheid aan de orde gesteld dat de klachten van [verzoeker] mogelijk tot de competentie van de commissie van toezicht van de Mesdagkliniek behoren en dat hij, [raadsheer], dat weet omdat hij voorzitter is van een soortgelijke commissie.

9. Het hof is van oordeel dat uit het enkele feit dat tijdens het verhoor van [verzoeker] in de Mesdagkliniek de mogelijkheid is besproken dat de klachten van [verzoeker] behoren tot de competentie van de commissie van toezicht van de Mesdagkliniek, niet zonder meer kan worden afgeleid dat mr [raadsheer] jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert of dat er sprake is van een grond om te vrezen dat het [raadsheer] aan onpartijdigheid ontbreekt, ook niet nu mr [raadsheer] voorzitter is van een soortgelijke commissie elders.

10. Mr [raadsheer] heeft naar aanleiding van de hiervoor onder b vermelde opmerking van [verzoeker] medegedeeld dat medewerkers van de Mesdagkliniek hem, de griffier en [verzoeker] tijdens voormeld verhoor van [verzoeker] in de Mesdagkliniek koffie hebben aangeboden en dat hij, de griffier en [verzoeker] dat aanbod hebben aanvaard. Volgens [raadsheer] heeft de kwaliteit van het verhoor niet onder deze gang van zaken geleden en heeft [verzoeker] tijdens dit verhoor voldoende ruimte en gelegenheid gekregen om zijn standpunten toe te lichten.

11. Het hof is van oordeel dat deze door [verzoeker] bedoelde omstandigheid niet met zich meebrengt dat [raadsheer] onvoldoende aandacht heeft gehad voor hetgeen [verzoeker] tijdens het verhoor naar voren heeft gebracht of dat de kwaliteit van dat gesprek te wensen overliet, laat staan dat hieruit kan worden afgeleid dat mr [raadsheer] jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert of dat er sprake is van een grond om te vrezen dat het mr [raadsheer] aan onpartijdigheid ontbreekt.

12. Mr [raadsheer] heeft naar aanleiding van de hiervoor onder c vermelde opmerking van [verzoeker] naar voren gebracht dat eerder genoemd verhoor in de Mesdagkliniek betrekking had op de beide artikel 12 Sv-klachten van [verzoeker] en dat [raadsheer] dit tijdens het verhoor ook met [verzoeker] heeft besproken.

13. Het hof is van oordeel dat uit het feit dat de artikel 12 Sv-klachten van [verzoeker] door mr [raadsheer] gevoegd zijn behandeld niet kan worden afgeleid dat mr [raadsheer] jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert of dat er sprake is van een grond om te vrezen dat het mr [raadsheer] aan onpartijdigheid ontbreekt.

14. Mr [raadsheer] heeft naar aanleiding van de hiervoor onder d vermelde opmerking van [verzoeker] verklaard dat het hof alleen een ontvangstbevestiging (per aangetekende post) verzendt als een nieuwe klacht op grond van artikel 12 Sv bij het hof wordt ingediend en dat de brieven waar [verzoeker] op doelt niet als een nieuwe klacht maar als een aanvulling op de reeds door [verzoeker] ingediende klachten zijn aangemerkt. Voorts heeft mr [raadsheer] verklaard dat hij tijdens het verhoor van [verzoeker] alle brieven van [verzoeker] heeft genoemd en besproken.

15. Het hof is van oordeel dat, ook indien het hof [verzoeker] geen ontvangstbevestiging van zijn brieven zou hebben verzonden, dit geen reden is om aan te nemen dat mr [raadsheer] jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert of dat er sprake is van een grond om te vrezen dat het mr [raadsheer] aan onpartijdigheid ontbreekt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de door [verzoeker] bedoelde brieven tijdens het verhoor door mr [raadsheer] zijn besproken zodat [verzoeker] er van op de hoogte was dat deze brieven bij het hof zijn aangekomen.

16. Het hof is van oordeel dat er, ook indien alle door [verzoeker] naar voren gebrachte opmerkingen in onderlinge samenhang worden beschouwd, geen gronden zijn om aan te nemen dat mr [raadsheer] jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert of dat er sprake is van een grond om te vrezen dat het mr [raadsheer] aan onpartijdigheid ontbreekt.

17. Het verzoek van [verzoeker] tot wraking van mr [raadsheer] zal derhalve worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [verzoeker] ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van mr [raadsheer];

wijst het verzoek van [verzoeker] tot wraking van mr [raadsheer] af.

Aldus gedaan door mrs Boon, voorzitter, Wachter en Van Eck, raden, in tegenwoordigheid van mevrouw De Groot als griffier op donderdag 1 mei 2003.