Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF7593

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
22-04-2003
Zaaknummer
WAHV 02/01126
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 259 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/1126

26 maart 2003

CJIB 49045535390

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Amsterdam

van 13 augustus 2002

bet[gemac[bestuurder]trokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemac[bestuurder], wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,-- (= Euro€ 81,68) opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 12 september 2001 op de Papaverweg in de gemeente Amsterdam.

3.2. De gemachtigde van de betrokkene, die heeft aangegeven op het moment waarop de gedraging zou zijn gepleegd de auto te hebben bestuurd, ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij voert daartoe -zakelijk weergegeven- onder meer aan: Ik heb bij het naderen van de verkeerslichten de auto met twee verbalisanten zien staan. Op het moment dat ik het verkeerslicht passeerde stond het niet op rood. Dit wordt bevestigd door degene die tijdens het voorval naast mij in de auto zat.

3.3. Door de gemachtigde van de betrokkene is een [getuige][getuige] ondertekende verklaring overgelegd, die als verklaring van deze [getuige] -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt: Op 12 september 2001 reed ik met de heer [bestuurder] mee. Bij het naderen van de verkeerslichten op de Papaverweg-Kamperfoelieweg (het hof leest hierachter: te Amsterdam) stond dit op groen. Op het moment van passeren van het verkeerslicht sprong dit op oranje. Doordat het verkeer op de kruising opstroopte was de heer [bestuurder] vervolgens niet in staat de kruising in de normale tijd vrij te maken.

3.4. In zijn verweerschrift stelt de advocaat-generaal -zakelijk weergegeven- dat de getuigenverklaring eerst is binnengekomen meer dan een jaar nadat de gedraging zou hebben plaatsgevonden en derhalve niet opweegt tegen de (getrainde) waarneming van de verbalisant(en) en de verslaglegging daarvan op het moment nadat de gedraging zich had voltrokken.

3.5. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.6. De gemachtigde van betrokkene heeft in zijn beroep tegen de inleidende beschikking aangegeven, dat de bij hem in de auto zittende getuige bereid was een verklaring te weerleggen (het hof leest: over te leggen). Bij schrijven van 18 november 2001 aan de officier van justitie heeft de gemachtigde van de betrokkene kenbaar gemaakt, dat hij gebruik wenste te maken van zijn recht te worden gehoord. Vervolgens heeft de officier van justitie bij op 12 maart 2002 verzonden beslissing, zonder de (gemachtigde van) betrokkene te horen, het beroep ongegrond verklaard, omdat het kennelijk ongegrond zou zijn.

3.7. Ingevolge art. 7:17, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het beroep kennelijk ongegrond is. Blijkens de wetsgeschiedenis zal het bestuursorgaan slechts bij uitzondering van het horen van de belanghebbende mogen afzien. Voormelde bepaling dient restrictief te worden toegepast. Van een kennelijk ongegrond beroep is slechts dan sprake wanneer uit het beroepschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het beroepschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

3.8. Naar het oordeel van het hof is door de officier van justitie ten onrechte afgezien van het horen van de gemachtigde van de betrokkene, nu de in r.o. 3.7. bedoelde omstandigheid zich niet voordeed. Dit verzuim hoeft op zichzelf beschouwd in het onderhavige geval niet tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden op grond van het navolgende. Ingevolge art. 6:22 Awb kan de kantonrechter, niettegenstaande een dergelijk verzuim, de beslissing van de officier van justitie in stand laten, indien blijkt dat de betrokkene daardoor niet is benadeeld. Het in deze bestreden beslissing besloten liggende oordeel van de kantonrechter dat deze situatie zich in de onderhavige zaak voordoet is juist, in aanmerking genomen dat de gemachtigde van betrokkene ter terechtzitting van de kantonrechter is verschenen en aldaar is gehoord, terwijl het beroepschrift aan de kantonrechter, noch het proces-verbaal van de terechtzitting inhoudt dat door of namens de betrokkene feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit zodanige benadeling zou kunnen volgen. Opmerking verdient daarbij, dat het proces-verbaal onder meer inhoudt: "Gemachtigde ontkent dat hij door rood is gereden en is bereid om een getuigenverklaring van een passagier te overleggen", maar niet blijkt, dat de gemachtigde van de betrokkene in dat verband aanhouding van de behandeling heeft gevraagd.

3.9. Toch kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Blijkens de overwegingen heeft de kantonrechter het beroep ongegrond verklaard, omdat "de enkele ontkenning van gemachtigde tegenover de waarneming van twee speciaal daartoe opgeleide agenten" onvoldoende is om het beroep gegrond te verklaren.

3.10. Uit het zaakoverzicht blijkt echter niet, dat er sprake is van een waarneming door meer dan een verbalisant, terwijl anderzijds, zonder dat nader omtrent de reden van het niet beschikbaar zijn van de getuigenverklaring is overwogen, niet kan worden uitgegaan van "de enkele ontkenning" van de zijde van de betrokkene. In verband hiermee rijst uit de in het dossier aanwezige schriftelijke aantekeningen van de griffier het vermoeden, dat de gemachtigde van de betrokkene ter zitting heeft verklaard, dat de getuige niet aanwezig kon zijn in verband met vakantie.

3.11. Nu van de zijde van de advocaat-generaal is volstaan met de opmerking, dat de overgelegde getuigenverklaring te laat in het geding is gebracht om geloofwaardig te zijn, is het hof van oordeel, dat de in de getuigenverklaring liggende onderbouwing van de ontkenning van de gemachtigde in onvoldoende mate is weerlegd.

3.12. Op grond van het voorgaande is derhalve zodanige twijfel gerezen omtrent de waarneming van de verbalisant dat naar de overtuiging van het hof niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarom zal het hof de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking, vernietigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 12 maart 2002, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 49045535390 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van €Euro 81,68 door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd;

Dit arrest is gewezen door mr Dijkstra, Poelman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van Meester als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.