Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF7591

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
22-04-2003
Zaaknummer
WAHV 02/01128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2003/312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/01128

26 maart 2003

CJIB 79048091231

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 17 oktober 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. Hierbij is verzocht de betrokkene wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht te veroordelen in de proceskosten.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie.

3.2. De betrokkene voert aan, zakelijk weergegeven, dat de in artikel 11 WAHV bepaalde zekerheidstelling in strijd is met artikel 6, eerste lid, EVRM en artikel 14, eerste lid, IVBPR. De betrokkene stelt zich in dat verband op het standpunt, dat het vereiste van voorafgaande zekerheidstelling in strijd is met het in die verdragen besloten liggende gelijkheidsbeginsel, doordat personen die door draagkracht of omstandigheden niet in staat zijn (tijdig) zekerheid te stellen fundamenteel worden achtergesteld bij personen die daartoe wel in staat zijn.

3.3. Anders dan de betrokkene wil, verzetten de door hem genoemde verdragsbepalingen zich niet zonder meer tegen zekerheidstelling als voorwaarde voor toegang tot de rechter.

3.4. Zekerheidstelling als bedoeld in art. 11 WAHV staat ook niet in de weg aan toegang tot de rechter. Immers, indien de betrokkene binnen de geldende termijn met redenen omkleed aanvoert dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde gegrond dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen. Door aldus rekening te houden met verschil in draagkracht en daarmee verband houdende omstandigheden is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de regeling van de zekerheidstelling niet in strijd is met de door de betrokkene genoemde verdragsbepalingen.

1.6. Nu door de betrokkene niet is aangevoerd dat van de betrokkene in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag en ook overigens niet is aangevoerd waarom in zijn geval de toegang tot de rechter belemmerd wordt, dient de beslissing waarvan beroep te worden bevestigd.

3.7. De advocaat-generaal heeft verzocht de betrokkene wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht te veroordelen in de proceskosten ter hoogte van Euro€ 161,-. Hiertoe is aangevoerd, dat de betrokkene reeds in een tiental hoger beroepzaken een identiek beroepschrift heeft ingediend, waarop het hof steeds gemotiveerd de door de betrokkene aangevoerde verweren heeft verworpen. De advocaat-generaal stelt zich dan ook op het standpunt dat een proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht op zijn plaats is, nu de betrokkene niettemin wederom een zelfde beroepschrift indient met het kennelijke doel om "zand in de machine te strooien" dan wel met het enkele doel om de betalingsverplichting op te schorten.

3.8. De betrokkene heeft hierop niet gereageerd.

3.9. Ingevolge art. 20d, vierde lid, jo art. 13a, eerste lid, tweede volzin, van de WAHV kan een natuurlijke persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

3.10. In meerdere hoger beroepzaken waarin aan de betrokkene een administratieve sanctie is opgelegd of waarin de betrokkene als gemachtigde van een aan een leasemaatschappij opgelegde administratieve sanctie optrad, heeft de betrokkene eensluidende beroepschriften bij het hof ingediend. Reeds voordat de betrokkene in deze zaak het hoger beroepschrift heeft ingediend, is in eerdere hoger beroepzaken uitspraak gedaan en zijn de door de betrokkene gevoerde verweren telkenmale op identieke dan wel nagenoeg identieke wijze verworpen. Voor de betrokkene moet het ten tijde van het instellen van het hoger beroep evident zijn geweest dat dit beroep kansloos zou zijn. Naar het oordeel van het hof is er daarom sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

3.11. Ingevolge art. 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

d. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

3.12. In het verweerschrift heeft de advocaat-generaal niet aangegeven op welke in art. 1 van voormeld Besluit genoemde kostenpost(en) het door de advocaat-generaal genoemde bedrag van Euro€ 161,- is gebaseerd. Gelet hierop zal het hof de advocaat-generaal in de gelegenheid stellen om gemotiveerd aan te geven op welke in art. 1 van voormeld Besluit genoemde kostenpost(en) het bedrag van Euro€ 161,- is gebaseerd en hoe de advocaat-generaal tot dit bedrag is gekomen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van dit arrest gemotiveerd aan te geven op welke in art. 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht genoemde kostenpost(en) het door de advocaat-generaal genoemde bedrag van Euro€ 161,- is gebaseerd en op welke wijze de advocaat-generaal dit bedrag heeft berekend.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.