Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF7076

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
BK 1153/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 660
FutD 2003-0735
V-N 2003/35.1.1

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1153/02 21 februari 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (:belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de Belastingdienst Heerenveen (:de inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 1998 onder sofinummer 000.00.000 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Procesgang.

Gedagtekend 19 oktober 2001 werd aan belanghebbende voormelde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van

f 243.856,-.

Op het tegen die aanslag door belanghebbende ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur op 5 april 2002 uitspraak gedaan, waarbij het bezwaar werd afgewezen en de aanslag werd gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is door belanghebbende een beroepschrift (met een bijlage) ingediend, ter griffie van dit hof ingekomen op 2 mei 2002.

Nadat de inspecteur een verweerschrift (met 10 bijlagen) had ingediend, heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden ter terechtzitting van 29 november 2002, gehouden te Leeuwarden. Aldaar verschenen belanghebbende en de inspecteur. Beide partijen hebben ter voormelde zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

De inhoud van alle voormelde (en hierna nog te noemen) stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

1. De vaststaande feiten.

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor dit geding als niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken het navolgende vast:

1. Belanghebbende, geboren in 19.. en gehuwd met A, dreef in het onderhavige jaar in maatschapsverband voor eigen rekening een internistenpraktijk. Als internist/geneeskundige is hij in 19.. voor het eerst in contact gekomen met een vrouwelijke patiënt (hierna: eiseres), die vanaf 19.. belanghebbende steeds intensiever is gaan consulteren over bij haar levende medische vragen.

2. Eiseres is in de tweede helft van de jaren tachtig meerdere malen klinisch behandeld voor lichamelijke klachten die van psychische oorsprong waren (incestverleden, anorexia nervosa).

3. Via de afdeling psychiatrie waar eiseres was opgenomen, kwam zij regelmatig voor somatische behandeling (o.a. sondevoeding) op de afdeling van belanghebbende te liggen. Met haar behandelend psychiater voerde belanghebbende regelmatig overleg: de psychiater was verantwoordelijk voor de psychiatrische behandeling terwijl belanghebbende ondersteunende somatische maatregelen nam.

4. In die periode is belanghebbende met eiseres regelmatig gesprekken gaan voeren over haar geestelijke problemen, tijdens één van welke gesprekken eiseres haar incestverleden aan belanghebbende heeft toevertrouwd. Belanghebbende heeft verklaard dat hij in 19.. de medische behandeling van eiseres aan een collega heeft overgedragen, zulks omdat hij meende dat de vriendschappelijke band met eiseres de boventoon in de relatie arts-patiënt ging voeren.

5. Na overdracht van de behandeling aan die collega heeft belanghebbende, op gronden ontleend aan zijn geloofsovertuiging, in samenspraak met zijn echtgenote (die godsdienstlerares is) en de behandelend psychiater van eiseres besloten eiseres in zijn gezin op te nemen. Bedoeling was om in het verband van belanghebbendes gezin onder begeleiding van zijn echtgenote tot gesprekken te komen over levensbeschouwelijke zaken. Toen na ongeveer een jaar bleek dat eiseres weinig belangstelling koesterde voor zowel levensbeschouwelijke zaken als de geloofsovertuiging van belanghebbendes gezin, heeft de echtgenote te kennen gegeven dat zij de toen bestaande situatie niet wenste te continueren.

6. Belanghebbende heeft nadien niettemin het contact met eiseres voortgezet door bezoeken op de respectieve privé-adressen van hem en eiseres, volgens zijn verklaring uit verantwoordelijkheidsgevoel jegens eiseres.

7. Daarbij is het tot een sexuele relatie tussen belanghebbende en eiseres gekomen die tot oktober 19.. heeft voortgeduurd. In alle nader te noemen procedures heeft eiseres die relatie consequent betiteld als sexueel misbruik.

8. Nadat belanghebbende die relatie en dat contact had verbroken, heeft eiseres tegenover haar behandelend huisarts van die sexuele relatie met belanghebbende melding gemaakt.

9. Die huisarts heeft vervolgens van een en ander een melding gedaan aan de bevoegde instanties zoals de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Eiseres heeft voorts informatieve gesprekken gevoerd met de politie.

10. Zulks resulteerde in een strafklacht bij Justitie en een klacht bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (:RTG) door zowel eiseres als de Inspecteur voor de Volksgezondheid. De strafklacht leidde tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek (gvo) in het kader waarvan belanghebbende in voorlopige hechtenis is genomen.

11. In het kader van dat gvo is tevens bij eiseres een psychiatrisch onderzoek ingesteld dat voerde tot de conclusie dat zij lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis. Naar het oordeel van de Officier van Justitie waren de verklaringen van eiseres dusdanig onbetrouwbaar dat die niet konden dienen als grondslag voor een strafrechtelijke vervolging. Het gvo werd daarom gesloten en de vervolging gestaakt. Omdat de strafzaak was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel is aan belanghebbende op diens vordering door de Rechtbank Leeuwarden een schadevergoeding van f 53.000,- toegekend.

12. In de twee klachtprocedures bij het RTG is uiteindelijk aan belanghebbende de maatregel van berisping opgelegd. Het RTG overwoog in die uitspraak:"Geenszins is komen vast te staan dat aangeklaagde zich tot het uiterste heeft ingespannen om de arts-patiëntrelatie te onderscheiden van een vriendschappelijke relatie".

13. De uitspraak van het RTG heeft eiseres geïnspireerd tot het instellen van een civiele procedure tegen belanghebbende, die heeft geleid tot veroordeling van belanghebbende tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres.

14. Tegen dat civiele vonnis is belanghebbende in appèl gegaan, waarna de civiele kamer van dit gerechtshof de schadevergoeding heeft gematigd tot f 30.000,- ten titel van immateriële schadevergoeding en f 25.000,- ter vergoeding van kosten van juridische bijstand.

15. In voormelde procedures is belanghebbende bijgestaan door een advocaat die daarvoor in 1998 aan honorarium een bedrag van f 84.876,- in rekening bracht. Omdat belanghebbendes rechtsbijstandverzekering aan hem een bedrag van f 50.000,- vergoedde, bleef uiteindelijk f 34.876,- voor rekening van belanghebbende. Dat bedrag werd door hem (gesaldeerd) op de verlies- en winstrekening als kosten van onderneming in mindering gebracht.

16. De inspecteur heeft bij het regelen van de onderhavige aanslag dat bedrag van f 34.876,- niet in aftrek aanvaard, stellende dat die kosten niet zijn veroorzaakt door een actie uit onrechtmatige daad in de uitoefening van het beroep als internist, de aangifte met dat bedrag gecorrigeerd, en aldus het belastbaar inkomen vastgesteld op f 243.856,-.

17. Bij de uitspraak op het tegen die aanslag ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur in dat standpunt volhard.

Geschil.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of het honorarium van belanghebbendes advocaat als kosten van onderneming op de winst in mindering kan worden gebracht, zoals door belanghebbende wordt betoogd, doch door de inspecteur wordt bestreden.

De standpunten van partijen.

Op gronden als vermeld in de van hem afkomstige stukken is belanghebbende van mening dat hij zich heeft moeten verdedigen in diverse procedures die hun grond vonden in de aanname dat hij in gebreke zou zijn gebleven in het verondersteld beroepsmatig handelen als arts. Hij verbindt daaraan de gevolgtrekking dat de daarmee samenhangende kosten van rechtsbijstand op zijn winst uit onderneming in aftrek behoren te worden gebracht.

Op gronden als vermeld in de van hem afkomstige stukken stelt de inspecteur daartegenover zich op het standpunt dat het ontstaan van de sexuele relatie met eiseres voor belanghebbende een bevrediging van persoonlijke behoeften vormde, dat op dat moment er al geruime tijd geen sprake meer was van een medische behandeling, dat er daarom geen sprake kan zijn van een door belanghebbende in de uitoefening van zijn beroep als arts gepleegde onrechtmatige daad, en dat daarom de kosten van de advocaat geheel in de privésfeer zijn opgeroepen.

Ter zitting hebben partijen hun onderscheidene standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

Rechtsoverwegingen.

1. Vaststaat dat belanghebbende in contact is gekomen met eiseres in de uitoefening van zijn beroep als internist, dat hij als internist somatische ondersteuning heeft verleend bij de psychiatrische behandeling van eiseres, en dat hij zich in meer dan gemiddelde mate heeft bekommerd om het welzijn van eiseres. De vriendschapsband die vervolgens tussen hem en eiseres is ontstaan, is gegroeid vanuit de toen bestaande behandelrelatie tussen arts en patiënt.

2. Vaststaat voorts dat de onderscheidene gerechtelijke en tuchtprocedures zijn geëntameerd door het optreden van de huisarts van eiseres die, gehoord het relaas van eiseres, de Inspecteur voor de Volksgezondheid heeft ingeschakeld. Het gevolg daarvan is weer geweest dat belanghebbende voor het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is gedaagd dat aan belanghebbende in diens hoedanigheid als arts de maatregel van berisping heeft opgelegd. Aldus heeft het RTG toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondsheidszorg (Wet BIG).

3. Niet weersproken is dat eiseres in de uitspraak van het RTG aanleiding heeft gevonden de civiele procedure tot vergoeding van schade jegens belanghebbende aan te spannen, welke procedure uiteindelijk heeft geleid tot veroordeling van belanghebbende tot betaling van in totaal f 55.000,- aan eiseres.

4. Alle voormelde procedures alsmede de bij Justitie ingediende strafklacht die na het gvo terzijde is gelegd, kunnen daarom niet los worden gezien van de arts-patiëntrelatie die daarvoor had bestaan.

5. Vermelding verdient voorts dat krachtens het bepaalde in artikel 48, eerste lid, van de Wet BIG, bij gegrondverklaring van de klacht door het RTG belanghebbende aan het risico was blootgesteld dat aan hem de maatregel van schorsing van zijn inschrijving in het register van medisch specialisten of zelfs doorhaling van de inschrijving zou worden opgelegd.

6. Van laatstvermelde mogelijkheden kan bezwaarlijk worden gezegd dat een verband met de praktijkuitoefening van belanghebbende, dus zijn onderneming, ontbreekt. Ook de omstandigheid dat de huisarts van eiseres aanleiding vond via de Inspecteur voor de Volksgezondheid belanghebbende beroepshalve aan te spreken wijst in eenzelfde richting.

7. De vraag of tussen belanghebbende en eiseres jarenlang enkel een sexuele relatie heeft bestaan of dat gedurende die periode feitelijk sprake is geweest van sexueel misbruik kan blijven rusten: ook de enkele sexuele relatie tussen arts en patiënt zou tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de arts opleveren, en ook daartegen zou belanghebbende zich redelijkerwijs teweer hebben gesteld.

8. Het vorenoverwogene voert tot de conclusie dat de kosten voor rechtskundige bijstand die belanghebbende in het onderhavige jaar heeft gemaakt een zodanig causaal verband hebben met de door hem uitgeoefende internistenpraktijk, dat naar het oordeel van het hof niets zich ertegen verzet dat honorarium in casu als kosten van onderneming in aanmerking te nemen.

9. Het gelijk is daarom aan de zijde van belanghebbende.

De slotsom.

Het beroep is gegrond. De bestreden uitspraak kan daarom niet instandblijven.

De proceskosten.

Belanghebbende heeft niet verzocht om veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof schat die kosten in redelijkheid op een bedrag van € 13,63 aan reiskosten in verband met het verschijnen ter zitting.

De beslissing.

Het hof vernietigt de uitspraak van de inspecteur, vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van

f. 208.980,- (€ 94.831,--), gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden, veroordeelt de inspecteur tot betaling aan belanghebbende van €13,63 wegens gemaakte reiskosten, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die die kosten heeft te dragen.

Gedaan op 21 februari 2003 door mr. Pruiksma, vice-president, als voorzitter, mrs. Drion en Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. De Jong, en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 9 april 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.