Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6980

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
08-04-2003
Zaaknummer
24-000779-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2002:AF2985
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 249
Wetboek van Strafrecht 249
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000779-02

Arrest d.d. 8 april 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank in het arrondissement Leeuwarden d.d. 23 juli 2002 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh,

Kinholtsweg 7 7909 CA Hoogeveen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw,

mw. mr. J.F. Rouwé-Danes, advocate te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep.

De rechtbank te Leeuwarden heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een maatregel, en heeft voorts de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, een en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De verdachte is d.d. 24 juli 2002 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 25 maart 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging.

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring.

Ten aanzien van verdachte acht het hof bewezen dat:

Onder 1:

hij in de periode van 7 april 2001 tot en met 8 april 2001, te Sexbierum, in de gemeente Franekeradeel, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, genaamd [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1], immers heeft hij, verdachte ontuchtig

- de penis van die [slachtoffer 1] met zijn, verdachtes, hand vastgepakt en vervolgens met die hand heen en weer gaande bewegingen op/over de penis van die [slachtoffer 1] gemaakt en

- de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, mond genomen;

Onder 2:

hij in de periode van 25 december 1992 tot en met 8 april 2001, te Sexbierum, in de gemeente Franekeradeel en elders in Nederland, meermalen ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2], immers heeft hij, verdachte, (telkens) ontuchtig de vagina en/of borst van die [slachtoffer 2] betast;

Onder 3:

hij in de periode van 1 september 1982 tot en met 30 juni 1988, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en/of te St. Jacobiparochie, in de gemeente Het Bildt, meermalen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, genaamd [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum slachtoffer 3], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, (telkens) ontuchtig

- de penis en testikels van die [slachtoffer 3] heeft gestreeld en/of betast en/of

- die [slachtoffer 3] zijn, verdachtes, penis met zijn hand heeft laten vastpakken en/of vervolgens met die hand heen en weer gaande bewegingen heeft laten maken op/over de penis van hem, verdachte, en/of

- zijn, verdachtes, vinger in de anus van die [slachtoffer 3] heeft geduwd en/of gebracht en/of

- zijn, verdachtes, penis tegen de billen en/of anus van die [slachtoffer 3] heeft gewreven en/of gehouden en/of geduwd;

Onder 4:

hij in de periode van 1 september 1982 tot en met 19 augustus 1986, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden en te St. Jacobiparochie, in de gemeente Het Bildt en elders in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, genaamd [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum slachtoffer 4], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, ontuchtig

- de borst en vagina van die [slachtoffer 4] heeft betast/gestreeld en/of

- zijn penis door die [slachtoffer 4] heeft laten aanraken/betasten en/of

- zijn penis vlak voor het gezicht van die [slachtoffer 4] heeft gehouden en/of

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 4] heeft geduwd en/of gebracht;

Onder 5, primair:

hij in de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1998, te Harlingen, in de gemeente Harlingen en elders in Nederland, meermalen, door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 5], hebbende verdachte (telkens)

- de vagina van die [slachtoffer 5] gelikt en/of

- de borsten van die [slachtoffer 5] betast/aangeraakt en/of

- zijn penis en/of een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 5] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 5] geduwd/gebracht, althans die [slachtoffer 5] zijn, verdachtes, penis in de mond laten nemen,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- de benen van die [slachtoffer 5] met kracht uit elkaar heeft geduwd en/of

- in het lichaam van die [slachtoffer 5] heeft gebeten en/of

- die [slachtoffer 5] heeft uitgescholden voor "smerige hoer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, in elk geval die [slachtoffer 5] verbaal zeer agressief heeft benaderd en/of

- (zulks terwijl die [slachtoffer 5] aan hem, verdachte, te kennen had gegeven dat hij moest ophouden met de seksuele handelingen en/of gemeenschap en/of dat ze het niet leuk vond) door zijn, verdachtes, kennelijke bedoelingen en/of met gebruikmaking van zijn, verdachtes, psychisch en fysiek overwicht op die (door [bedrijf] als "minder weerbaar" gecodeerde) [slachtoffer 5], telkens voor die [slachtoffer 5] een (bedreigende) situatie heeft gecreëerd waarin zij zich niet, althans onvoldoende aan/tegen de seksuele handelingen en/of gemeenschap met hem, verdachte, kon onttrekken en/of verzetten;

Onder 6, primair:

Hij in de periode van 1 januari 1996 tot en met 1 augustus 2001, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, meermalen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 6], hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 6] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- in het lichaam van die [slachtoffer 6] heeft gebeten en/of

- (zulks terwijl die [slachtoffer 6] aan hem, verdachte, te kennen had gegeven dat hij moest ophouden met de seksuele handelingen en/of gemeenschap en/of dat ze het niet leuk vond en/of dat ze pijn had) door zijn, verdachtes, kennelijke bedoelingen en/of met gebruikmaking van zijn, verdachtes, psychisch en/of fysiek overwicht op die (door [bedrijf] als "minder weerbaar" gecodeerde) [slachtoffer 6], telkens voor die [slachtoffer 6] een (bedreigende) situatie heeft gecreëerd waarin zij zich niet, althans onvoldoende aan/tegen de seksuele handelingen en/of gemeenschap met hem, verdachte, kon onttrekken en/of verzetten;

Onder 7, primair:

Hij in de periode van 1 april 1995 tot en met 30 november 1998, te Harlingen, in de gemeente Harlingen en te Beetsterzwaag, in de gemeente Opsterland en elders in Nederland, meermalen door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 7], hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 7] geduwd en/of gebracht en/of

- de vagina van die [slachtoffer 7] betast en/of gestreeld en/of gelikt

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- (met kracht) de kleding van [slachtoffer 7] van haar lichaam heeft gerukt/getrokken en/of de kleding (aldus) heeft kapotgetrokken en/of

- die [slachtoffer 7] (met kracht) in de passagiersstoel van de auto heeft gedrukt en gedrukt gehouden en/of

- (zulks terwijl die [slachtoffer 7] aan hem, verdachte, te kennen had gegeven dat hij moest ophouden met de seksuele handelingen en/of gemeenschap en/of dat ze het niet leuk vond) door zijn, verdachtes, kennelijke bedoelingen en/of met gebruikmaking van zijn, verdachtes, psychisch en/of fysiek overwicht op die (door [bedrijf] als "minder weerbaar" gecodeerde) [slachtoffer 7], (telkens) voor die [slachtoffer 7] een (bedreigende) situatie heeft gecreëerd waarin zij zich niet, althans onvoldoende aan/tegen de seksuele handelingen en/of gemeenschap met hem, verdachte, kon onttrekken en/of verzetten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Voor zover de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat het onder 2. ten laste gelegde "betasten van de borst van een destijds acht-jarig meisje" geen ontuchtige handeling is omdat een meisje van die leeftijd nog geen borsten heeft, overweegt het hof het navolgende. De handeling -het bij de borst pakken van het meisje, voorafgegaan door de opmerking "als oma dat ding (toevoeging hof: bedoeld wordt de "nachtpon") aanheeft dan pak ik haar altijd zo bij haar tieten" (aldus de verklaring van getuige [slachtoffer 1])- heeft zonder meer een seksueel karakter en levert naar het oordeel van het hof dan ook een ontuchtige handeling op.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1:

Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige;

onder 2:

Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

onder 3:

Ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd;

Onder 4:

Ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd;

onder 5 primair, 6 primair en 7 primair, telkens:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid.

Omtrent de verdachte is na de zitting van de rechtbank van 6 juni 2002 doch voor de zitting van 9 juli 2002 gerapporteerd door R. Vriesema, psychiater en psychoanalyticus, en op 29 mei 2002 door G. de Jong, forensisch psycholoog, beiden vast gerechtelijk deskundige.

Beide voornoemde deskundigen komen tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verdachte (slechts) in licht verminderde mate kan worden toegerekend omdat verdachte het ongeoorloofde van zijn handelen, ten gevolge van de gestoorde seksualiteitsontwikkeling, ten tijde van het plegen van de feiten onvoldoende inzag.

Gelet op de stukken van het dossier en het onderzoek ter 's hofs terechtzitting -waar het hof een indruk van de persoon van verdachte heeft gekregen- kan het hof zich met voormelde conclusie van De Jong en Vriesema verenigen. Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne en is derhalve van oordeel dat de feiten verdachte in licht verminderde mate moeten worden toegerekend.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren met terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte terzake van de ten laste gelegde feiten zoals voormeld wordt veroordeeld tot dezelfde straf, derhalve een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij ontucht heeft gepleegd met minderjarigen, te weten met twee van zijn kinderen en met twee van zijn (stief-)kleinkinderen. Voorts heeft verdachte een drietal collega's verkracht, welke collega's door de gezamenlijke werkgever als "minder weerbaar" werden beschouwd. Bij voormelde handelingen -welke zich ten aanzien van het merendeel van de slachtoffers gedurende een langere periode, meermalen, hebben voorgedaan- heeft steeds een ongelijkwaardige verhouding tussen verdachte en zijn slachtoffers bestaan en heeft verdachte misbruik gemaakt van het geringe weerstandsvermogen van zijn slachtoffers en van het in hem gestelde vertrouwen. Voorts heeft verdachte steeds zijn eigen belang voorop gesteld zonder oog te hebben voor de wijze waarop de slachtoffers een en ander zouden ervaren. Verdachte heeft, door aldus te handelen, telkens een (ernstige) inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van zijn slachtoffers, hetgeen in zijn algemeenheid door een slachtoffer als (zeer) ingrijpend wordt ervaren en nadelige psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich kan brengen.

Het hof heeft rekening gehouden met voornoemde en nog na te noemen rapportages van de eerdergenoemde deskundigen De Jong en Vriesema.

Het hof heeft tevens gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 7 februari 2003 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor enig feit is veroordeeld.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, de door de advocaat-generaal gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren alleszins gerechtvaardigd.

Motivering van de op te leggen maatregel.

Voormeld rapport van de deskundige De Jong (d.d. 29 mei 2002) houdt -zakelijk weergegeven- onder meer in:

Er bestaat bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en theatrale kenmerken en een polymorf-perverse ontwikkeling van de seksualiteit. Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. De gebrekkige ontwikkeling van verdachte's geestvermogens is van dien aard dat het tenlastegelegde hem in licht verminderde mate moet worden toegerekend. Niet is te verwachten dat verdachte zich voortaan in de maatschappij behoorlijk zal gedragen. De kans op recidive van feiten als ten laste gelegd moet als hoog worden ingeschat. Een verandering ten goede is te verwachten indien verdachte klinisch psychiatrisch wordt behandeld. Een behandeling van de persoonlijkheidsstoornis en de polymorf-perverse pathologie is dringend gewenst. Van een vrijwillige behandeling zal geen sprake kunnen zijn omdat verdachte zijn seksuele gedragingen beschouwt als normaal. Bovendien is de polymorf-perverse seksualiteit in zichzelf zo bevredigend voor verdachte dat hij die niet zomaar zal opgeven en is de kans op recidive groot. Behandeling in het kader van een straf met voorwaarden zal niet werkzaam zijn omdat verdachte zich rationeel zal aanpassen. Behandeling in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden zal evenmin slagen omdat verdachte een schijnaanpassing zal vertonen en de behandelaars niet echt toegang tot hem zullen krijgen.

Het voorgaande rechtvaardigt volgens De Jong de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging.

Voormeld rapport van de deskundige Vriesema (juni-juli 2002) houdt -zakelijk weergegeven- onder meer in:

Verdachte is een beneden gemiddeld tot gemiddeld intelligente man met een gemengde persoonlijkheidsstoornis met aanwijzingen voor een polymorf perverse ontwikkeling, met een pedofiele component. Verdachte moet in verband met de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens licht verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht inzake de ten laste gelegde feiten. De gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens bestond ook reeds ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten.

Verdachte heeft wel normbesef, maar vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis en met name door het gebrek aan empathie gaat hij hieraan gemakkelijk voorbij. Gevaar voor recidive is zeker niet denkbeeldig. Verdachte lijkt onvoldoende sturing te hebben over zijn seksuele leven en hij is zich onvoldoende bewust van het gestoorde karakter daarvan. Niet valt te verwachten dat de geconstateerde stoornis der persoonlijkheid spontaan zal verbeteren. Therapeutische bijsturing van buitenaf is noodzakelijk om het recidivegevaar te verkleinen. Verdachte heeft onvoldoende contact met de werkelijkheid, is niet gemotiveerd voor behandeling en heeft te kennen gegeven niet vrijwillig aan een behandeling mee te werken. Ik adviseer de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.

Gelet op de indruk die het hof zelf van de verdachte heeft gekregen alsmede diens persoon voor zover daarvan overigens uit de stukken blijkt, kan het hof zich met de bovenstaande conclusies van de deskundigen De Jong en Vriesema verenigen, zodat het hof deze overneemt en tot de zijne maakt.

Nu gebleken is, dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van elk van de hiervoor bewezenverklaarde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond dat deze feiten hem slechts in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend, de door hem begane feiten telkens misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, en er naar het oordeel van het hof groot recidivegevaar aanwezig is, is het hof -met de advocaat-generaal- van oordeel, dat uit een oogpunt van beveiliging van de maatschappij een terbeschikkingstelling in het onderhavige geval aangewezen is.

Het hof zal derhalve, naast voormelde gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel vereist.

Bij het bepalen van de modaliteit van terbeschikkingstelling verenigt het hof zich met het advies van voornoemde deskundigen terzake van -kort gezegd- dwangverpleging nu de kans op recidive groot is en verdachte zich niet vrijwillig zal laten behandelen. Het hof zal derhalve -nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging- gelasten dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld met verpleging van overheidswege.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partijen zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd en dat hun vorderingen in eerste aanleg geheel zijn toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van hun gehele vorderingen tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vorderingen zijn van de zijde van verdachte niet weersproken. Derhalve kunnen zij worden toegewezen in voege als na te melden.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 242, 249 (oud) en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

gelast de teruggave aan [slachtoffer 1], [adres slachtoffer 1] van het navolgende inbeslaggenomen voorwerp:

- een grijs t-shirt met lange mouwen (SVO-nr. 566327, Agp 103);

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

wijst de vorderingen van de benadeelde partijen toe;

veroordeelt mitsdien veroordeelde voornoemd om aan [slachtoffer 1], wonende te [adres slachtoffer 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van drieduizendvierhonderdtien euro en zestien cent;

veroordeelt mitsdien veroordeelde voornoemd om aan [slachtoffer 2], wonende te [adres slachtoffer 2] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van drieduizendvierhonderdzeventien euro en zevenentachtig cent;

veroordeelt mitsdien veroordeelde voornoemd om aan [slachtoffer 5], wonende te [adres slachtoffer 5] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van vierduizendvijfhonderdzevenendertig euro en tachtig cent;

veroordeelt mitsdien veroordeelde voornoemd om aan [slachtoffer 6], wonende te [adres slachtoffer 6] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van drieduizendvierhonderddrie euro en vijfendertig cent;

veroordeelt mitsdien veroordeelde voornoemd om aan [slachtoffer 7], wonende te [adres slachtoffer 7] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van drieduizendvierhonderddrie euro en vijfendertig cent;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt -tot aan deze uitspraak begroot op nihil- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Zwerwer, voorzitter, Huisman en Elders, in tegenwoordigheid van mr. Folmer als griffier, zijnde mr. Elders voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.