Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6523

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
24-001026-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001026-02

Arrest d.d. 31 maart 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van het arrondissement Groningen d.d. 24 september 2002 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei,

Holstmeerweg 7, 8936 AS, Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep.

De rechtbank van het arrondissement Groningen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een maatregel en heeft voorts beslist op de vordering van de benadeelde partij, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De verdachte is d.d. 30 september 2002 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 17 maart 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging.

Het hof neemt uit het beroepen vonnis over de daar vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding.

Vrijspraak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus primair aan verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring.

Ten aanzien van de verdachte acht het hof bewezen dat:

subsidiair:

hij op 15 december 2001 in de gemeente Groningen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk

- die [slachtoffer] meermalen op het hoofd gestampt en deze meermalen met een hard metalen voorwerp, met kracht tegen het hoofd geslagen en

- die [slachtoffer] met een mes in de hals gestoken en

- die [slachtoffer] meermalen met een vleesvork in de borst nabij en/of ter hoogte van het hart gestoken en

- die [slachtoffer] de keel dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld van diefstal van een geldbedrag, toebehorende aan genoemde [slachtoffer] en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf:

subsidiair:

Doodslag, gevolgd en/of vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid.

Bij de stukken bevindt zich een rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 29 augustus 2002. Dit rapport is opgemaakt door J.H. Scheffer, zenuwarts en vast gerechtelijk deskundige, en S.R. Schipper, psycholoog (in overleg met J.M. Oudejans, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige). Voornoemd rapport houdt als conclusie in dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde feit een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens bestond (een antisociale persoonlijkheidsstoornis die voortkomt uit de psychopathische kern waarop betrokkene's persoonlijkheidsstructuur steunt), dat dit feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof neemt vorenstaande conclusie over en is derhalve van oordeel, dat bij verdachte ten tijde van het hiervoor bewezenverklaarde feit een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens bestond, dat dit feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte te dezer zake strafbaar.

Strafmotivering.

De rechtbank van het arrondissement Groningen heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd ter zake van het subsidiair tenlastegelegde, te weten: - kort samengevat - gekwalificeerde doodslag. De verdachte is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft ter 's hofs terechtzitting van 17 maart 2003 gevorderd dat verdachte eveneens ter zake van gekwalificeerde doodslag wordt veroordeeld tot eenzelfde gevangenisstraf en maatregel als in eerste aanleg opgelegd.

In zijn algemeenheid dient aan een verdachte, die zich schuldig maakt aan een bewezenverklaard feit als het onderhavige, gezien de ernst van het feit, uit een oogpunt van normhandhaving en overeenkomstig de bij het hof gebruikelijke maatstaven, een vrijheidsstraf van zeer lange duur te worden opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en op grond van de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen, dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk - en op gruwelijke wijze - van het leven heeft beroofd. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat alleen een zeer lange vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

Op zaterdagochtend 15 december 2001 ging verdachte boodschappen doen. Toen hij buiten kwam zag hij dat zijn buurman, [slachtoffer], ook zijn woning verliet en hij maakte een praatje met hem. Bij verdachte ontstond het idee om zijn buurman te beroven. Verdachte ging vervolgens naar het winkelcentrum. Zonder inkopen te doen keerde hij terug en ontmoette zijn buurman opnieuw. Wederom spraken zij met elkaar. Op een zeker moment ging de buurman zijn woning binnen. Verdachte volgde hem en sloeg hem meteen in zijn gezicht. Vervolgens pakte verdachte een mes uit zijn jaszak en stak hem daarmee in de hals. Omdat het door hem gewenste effect nog niet was bereikt, heeft verdachte - achtereenvolgens - geprobeerd hem met een handdoek te wurgen, hem twee keer met een vleesvork in de borst gestoken, hem met een metalen voorwerp met kracht tegen het hoofd geslagen en op zijn hoofd gestampt. Daarna heeft verdachte geld uit een kast gepakt en heeft hij het huis verlaten. Uit het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 18 september 2002 - opgemaakt door H. Tromp, arts en patholoog van de door W. Jansen, arts en patholoog als beëdigd deskundige op 19 december 2002 verrichte sectie op het lijk van [slachtoffer] - blijkt dat de onderscheidene geweldsinwerkingen (stomp geweld op het hoofd, scherp snijdend en/of stekend geweld op de borst en hals en samendrukkend geweld op de hals) zowel in combinatie als ieder op zich dodelijk waren.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf heeft het hof voorts in aanmerking genomen, dat verdachte blijkens de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit het documentatieregister d.d. 13 januari 2003, meer dan tien jaren in detentie heeft doorgebracht en in het kader van een eerdere opgelegde terbeschikkingstelling van overheidswege therapieën heeft ondergaan, maar desondanks blijft recidiveren.

Daarbij komt nog dat verdachte ter 's hofs terechtzitting heeft erkend dat hij zich ook nog aan andere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, welke feiten op de inleidende dagvaarding onder de kop 'Mededeling ad informandum gevoegde strafbare feiten' ad informandum zijn gevoegd en welke feiten thans - als meegewogen in na te noemen straf - als afgedaan dienen te worden beschouwd.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenstraf van twaalf jaren een passende straf is.

Motivering van de maatregel

Uit het voormelde rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt onder meer - zakelijk weergegeven -:

Verdachte is een gemiddeld intelligente man met een antisociale persoonlijkheidsstoornis die voortkomt uit de psychopathische kern waarop zijn persoonlijkheidsstructuur steunt. Deze ernstige stoornis vindt zijn oorsprong in de vroege relatiestoornis tussen hem en zijn moeder, waardoor het hechtingsproces en het daaruit voortkomende diepere emotionele contact tussen moeder en kind niet tot stand is gekomen. Verdachte heeft het basisvertrouwen in de ander en de ruimte voor intimiteit niet aangeleerd, waardoor hij zich heeft ontwikkeld tot een extreem onthecht persoon. Dit tekort uit zich in zijn parasitaire levensstijl, waarbij hij manipuleert, liegt en anderen gebruikt voor de bevrediging van zijn behoeften. Het ontbreken van schuldgevoelens of andere intrapsychische conflicten duidt eveneens op de leegte van de gevoels- en belevingswereld van verdachte. Verdachte beschikt over een opervlakkige charme en kan zich goed in een milieu invoegen, waardoor hij zich doorgaans voor langere perioden redelijk kan handhaven. Bij verdachte is ook, in sommige opzichten samenhangend met zijn korte termijn denken, sprake van een ernstige verslavingsproblematiek. De hierboven beschreven persoonlijkheidsproblematiek heeft bij het tenlastegelegde feit een grote rol gespeeld. Als belangrijkste aspecten kunnen de impulsiviteit waarin verdachte heeft besloten het feit te plegen, de beperkte remming in de aanloop naar en tijdens het feit, en het ontbreken van een geïnternaliseerde gewetensfunctie genoemd worden. De kans dat verdachte zich opnieuw aan ernstige geweldsdelicten zal schuldig maken die een dodelijk gevolg hebben is, gegeven de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek en daarin vooral het ontbreken van een functionerend geweten en zijn neiging tot bagatelliseren aanzienlijk. Verdachte ontbeert dat inzicht en probleembesef dat hij nodig heeft om mogelijk op eigen kracht een behandeling aan te gaan. Om die redenen adviseren wij verdachte - ter voorkoming van recidive - de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Gelet op de indruk die het hof zelf van verdachte heeft gekregen alsmede diens persoon voor zover daarvan uit de stukken blijkt, kan het hof zich met de in voormeld rapport opgenomen conclusies en adviezen verenigen, zodat het hof deze overneemt en tot de zijne maakt.

Nu gebleken is, dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het hiervoor bewezenverklaarde feit een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens bestond dat dit feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend, het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en er ook naar 's hofs oordeel groot recidivegevaar aanwezig is, is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel, dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist.

Het hof zal derhalve, naast voormelde gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen en bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu de veiligheid van anderen, dan wel de veiligheid van personen dit eist.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat zij zich in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft - zakelijk weergegeven - de volgende schadeposten opgevoerd:

-reiskosten 6 keer Hilversum-Groningen v.v. : 162,- euro

-parkeerkosten in parkeergarage: 54,- euro

-verblijfskosten: 274,32 euro

-gestolen geld: 227,- euro

-notariskosten: 429,43 euro

-begrafeniskosten: 2860,43 euro

-2 maanden huur: 571,76 euro

-kosten herstel badkamer: 450,- euro

-inkomstenderving: 36,- euro

-boedelbak: 18,- euro

-telefoonkosten: 23,40 euro

-advertentie: 9,- euro

De door de benadeelde partij opgegeven schade betrekking hebbend op het gestolen geld en de begrafeniskosten is van de zijde van verdachte niet weersproken en kan nu zij op de wet is gegrond worden toegewezen met aftrek van 226,51 euro, omdat de benadeelde partij ter zitting d.d. 17 maart 2003 een rekeningafschrift d.d. 28 mei 2002 heeft overgelegd, waaruit blijkt dat 226,51 euro door de uitvaartverzorging B.V. is uitgekeerd.

Voor het overige zijn de gevorderde bedragen niet van zo eenvoudige aard, dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering (in zoverre) niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering (in zoverre) slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij behoort derhalve te worden toegewezen tot een bedrag van 2860,92 euro en voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Het hof overweegt, dat op grond van het onderzoek ter 's hofs terechtzitting vaststaat, dat door het bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer schade is toegebracht, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Het hof stelt die schade - gelet op hetgeen hierboven met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is opgemerkt - vast op een bedrag van 2860,92 euro. Aan verdachte zal derhalve de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van voormeld geldbedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld subsidiair tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart dit feit en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij], wonende te [adres], tot een bedrag van tweeduizendachthonderdzestig euro en tweeënnegentig cent;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dat deel van haar vordering waarop hiervóór niet is beslist;

bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweeduizendachthonderdzestig euro en tweeënnegentig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [adres], met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis voor de duur van zevenenvijftig dagen zal worden toegepast;

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van dat bedrag doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen;

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Kalsbeek, voorzitter, Wedzinga en Toeter, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, zijnde mr. Toeter voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.