Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6476

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
WAHV 02-01013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/01013

5 maart 2003

CJIB 38294246

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 7 augustus 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem mededeelt dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

3.3. Voorts moet op grond van de parlementaire geschiedenis van het huidige art. 11, derde lid, WAHV worden aangenomen dat ten aanzien van het vereiste van zekerheidstelling art. 6:6 Awb van toepassing is. Het beroep bij het kantongerecht kan dan ook pas niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het niet tijdig voldoen aan de verplichting om zekerheid te stellen als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV als de betrokkene in de gelegenheid is gesteld het verzuim de zekerheid te voldoen te herstellen en hem, na indiening van het beroepschrift, omtrent die verplichting dus tweemaal een mededeling is gedaan.

3.4. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 4 oktober 2001 en een brief van 18 oktober 2001 van de officier van justitie aan de betrokkene. De eerstgenoemde brief kan echter niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. In deze brief schrijft de officier van justitie het beroep pas aan de kantonrechter te zullen voorleggen als hij na de bestudering van de zaak niet tot vernietiging van de inleidende beschikking zou besluiten. De brief voldoet daardoor niet aan het bepaalde in art. 11 derde lid WAHV, en wel omdat de brief door hetgeen de officier van justitie schrijft onzekerheid oproept met betrekking tot de noodzaak van het stellen van zekerheid. Het voorgaande brengt mee dat de betrokkene slechts eenmaal is gewezen op de verplichting tot het stellen van zekerheid.

3.5. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet- ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.

3.6. Hoewel in beginsel de zaak teruggewezen zou dienen te worden naar de kantonrechter teneinde een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV zou kunnen stellen zal het hof daartoe niet overgaan op grond van het navolgende.

3.7. De beslissing van de officier van justitie op het door de betrokkene ingestelde administratief beroep tegen de inleidende beschikking is aan de betrokkene toegezonden op 11 mei 2001. Eerst bij brief van 30 juli 2001, - binnengekomen bij het CJIB op 1 augustus 2001 -, is kennelijk na ontvangst van de eerste aanmaning door de betrokkene beroep ingesteld. Weliswaar stelt de betrokkene, dat hij bij brief van 20 juni 2001 reeds beroep heeft ingesteld en legt hij een kopie van de brief die door hem verzonden zou zijn over, maar de stukken houden niets in, waaruit zou kunnen blijken, dat een beroepschrift van betrokkene is ontvangen. In beginsel aanvaardt degene die per gewone post een stuk verzendt het risico dat het betreffende stuk nimmer wordt ontvangen.

3.8. Bij de beoordeling voorts of, indien inderdaad zou moeten worden aangenomen dat door de betrokkene de brief van 20 juni 2001 is verzonden, de overschrijding van de beroepstermijn als verontschuldigbaar zou moeten worden aangemerkt is van belang, dat op grond van art. 6:14 Awb het bestuursorgaan waarbij het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend de ontvangst schriftelijk bevestigt. Het uitblijven van een ontvangstbevestiging binnen korte tijd na zijn brief van 20 juni 2001 had de betrokkene ertoe dienen te leiden te informeren of zijn beroepschrift was ontvangen. Nu hij eerst bij brief van 30 juli 2001 heeft gereageerd is hij terecht door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

3.9. Voor zover de betrokkene er over klaagt dat het beroep ten onrechte niet ter zitting van de kantonrechter is behandeld overweegt het hof, dat uit het systeem van de wet, zoals dat besloten ligt in de art. 11, leden 3 en 4, 12, lid 1en 13, lid 1, WAHV, volgt, dat in geval van het niet of niet tijdig stellen van zekerheid de kantonrechter op het beroep kan beslissen zonder de betrokkene te horen (vgl. HR 3 maart 1992, VR 1992, 68).

3.10. Nu uit het voorgaande volgt dat de betrokkene terecht door de kantonrechter niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep, zal diens beslissing worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.