Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6345

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
BK 406/02 WOZ
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AP1375
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/794
FutD 2004-1040
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

BK-02/00406 19 maart 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de directeur Algemene Zaken van de gemeente Leeuwarden (: de directeur)

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem uitgereikte waardebeschikking van nagenoemde onroerende zaken.

1. De feiten

1.1 In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de directeur de waarden van de onroerende zaken a-straat 18, 20 en 22 te L (: de onroerende zaken) per waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op respectievelijk

ƒ 116.000,--, ƒ 116.000,-- en ƒ 128.000,--.

1.2. De belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 2 juli 2001bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de vastgestelde waarden.

1.3. Bij uitspraak van 1 februari 2002 heeft de directeur de waarde van nummer 18 nader vastgesteld op ƒ 111.000,--. Van de nummers 20 en 22 heeft hij de waarde gehandhaafd.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij brief van 18 februari 2002, bij het hof binnengekomen op 19 februari 2002, beroep ingesteld.

1.5. Het verweerschrift van de directeur is op 3 oktober 2002 bij het hof binnengekomen.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 december 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van de directeur, bijgestaan door A, taxateur.

1.7. De belanghebbende is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

1.9. Het hof heeft in deze zaak in tegenwoordigheid van de griffier te Leeuwarden op 23 december 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 6 januari 2003, aan partijen is verzonden.

1.10. Bij een op 22 januari 2003 bij het hof binnengekomen brief heeft de belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.11. Het verschuldigde griffierecht is op 6 februari 2003 voldaan.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarden overeenkomen met de waarden in het economische verkeer.

2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij bepleit waarden van respectievelijk ƒ 95.000,--, ƒ 92.000,-- en ƒ 112.000,--. De directeur concludeert tot bevestiging van de beroepen uitspraak.

2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3. De overwegingen omtrent het geschil.

3.1. Ingevolge artikel 17 , lid 1, van de Wet wordt een waarde aan een onroerende zaak toegekend. Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt de waarde bepaald op de waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

3.2. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum (in casu 1 januari 1999) heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

3.3. Ingevolge artikel 4, lid 1 onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (: de Uitvoeringsregeling), wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.

3.4. De directeur, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft voor de onderbouwing van de door hem vastgestelde waarden gebruik gemaakt van een voor elk van de onroerende zaken opgemaakt taxatierapport van B b.v. alle gedateerd juli 2002.

3.5. Blijkens deze rapporten zijn de waarden van de onroerende zaken door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten als bedoeld in de Uitvoeringsregeling bepaald op respectievelijk

ƒ 111.000,--, ƒ 116.000,-- en ƒ 128.000,--.

3.6. Voorzover belanghebbende bepleit dat de waarden niet kunnen worden afgeleid van de in de taxatierapporten genoemde transactiewaarden van referentieobjecten, overweegt het hof dat de transactiewaarden zijn bedoeld om als bevestiging van de vastgestelde waarde te dienen. Daarbij is niet vereist dat een referentieobject identiek is aan de onroerende zaak waarvan de waarde dient te worden vastgesteld. Het hof is dan ook van oordeel dat de genoemde vergelijkingsobjecten de door de directeur vastgestelde waarden in voldoende mate onderbouwen en dat de verschillen tussen de onroerende zaak enerzijds en de referentieobjecten anderzijds in voldoende mate tot uitdrukking worden gebracht.

3.7. Voorzover belanghebbende bepleit dat de waarden, gelet op de door hem overgelegde taxatierapporten van makelaar C d.d. 28 januari 1999 en makelaar D d.d. 21 april 1998, op een te hoog bedrag zijn vastgesteld, overweegt het hof dat een waarde dient te worden bepaald op een wijze als bedoeld in de Uitvoeringsregeling. Nu uit de taxatierapporten niet blijkt dat de waarden zijn bepaald door middel van een in de Uitvoeringsregeling voorgeschreven methode, bijvoorbeeld een methode van vergelijking met referentieobjecten, kan aan die taxatierapporten niet een zodanige betekenis worden toegekend dat op grond daarvan zou moeten worden aangenomen dat de waarden op een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

3.8. Voorzover belanghebbende bepleit dat de waarden, gelet op statistische informatie van de Nederlandse Vereniging van Makelaars alsmede gelet op de door de gemeente Leeuwarden verstrekte informatie, op een te hoog bedrag zijn vastgesteld, overweegt het hof dat de waarden dienen te worden bepaald op een wijze als bedoeld in de Uitvoeringsregeling. Daaronder is niet begrepen een methode op basis van statische gegevens in samenhang met stijgingspercentages.

3.9. Op grond van de inhoud van het verweerschrift van de directeur en het daarbij overgelegde taxatierapport is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat het hoofd de waarde van de onroerende zaak niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per waardepeildatum 1 januari 1999. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de grieven van belanghebbende niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.10. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.

4. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 19 maart 2003.

De griffier, De voorzitter,

M. Haarsma mr H.S. Pruiksma

Op 26 maart 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.