Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6337

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
WAHV 02-01161
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:4
Algemene wet bestuursrecht 6:17
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/01161

5 maart 2003

CJIB 23194470

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Amsterdam

van 8 januari (naar het hof begrijpt:) 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gem[vader]dt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 23 juni 1999 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 12 april 2002 heeft de gemachtigde van de betrokkene gereageerd op een brief van de rechtbank d.d. 21 maart 2002 en is hij daarbij inhoudelijk ingegaan op de zaak.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Bij de nadere toelichting op het beroep is verzocht om een behandeling ter zitting. Voorts heeft de betrokkene verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 26a, eerste lid WAHV, dient het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter binnen twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter te worden ingediend.

3.2. Blijkens het stempel op de beschikking van de kantonrechter is deze op 5 maart 2001 verzonden. Het - ongedateerde - beroepschrift is blijkens een daarop gesteld stempel ter griffie van de rechtbank ingekomen op 21 maart 2001. Het hoger beroep is derhalve niet ingesteld binnen de in art. 26a, eerste lid, WAHV voorgeschreven termijn van twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter.

3.3. Beoordeeld dient te worden of betrokkene ondanks de overschrijding van de beroepstermijn ontvankelijk is in zijn beroep. Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.4. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van art. 1:4 Awb is hoofdstuk 6, en zijn derhalve de artt. 6:9 en 6:11, Awb, van toepassing uitgesloten. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid van verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26a, eerste lid, WAHV genoemde termijn. In die omstandigheden moet worden aangenomen, dat de wetgever - anders dan in het niet van toepassing zijnde art. 6:11 Awb - in beginsel niet heeft willen voorzien in de mogelijkheid van verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26a, eerste lid, WAHV genoemde termijn. Daarom kan slechts in bijzondere omstandigheden van klemmende aard worden aangenomen, dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift op grond daarvan niet-ontvankelijkv[vader]rwege dient te blijven.

3.5. Het verzetschrift is ingediend door [vader] blijkens de stukken de vader van de betrokkene. Bij schrijven van 4 januari 2000 heeft de betrokkene [vader] gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in de onderhavige zaak. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is de gemachtigde aldaar verschenen en heeft hij het woord gevoerd. De beslissing van de kantonrechter is gegeven ten name van de betrokkene. In de beschikking is het adres van de betrokkene opgenomen. Bij gebrek aan gegevens die op het tegendeel duiden gaat het hof er van uit dat de beslissing van de kantonrechter alleen verzonden is naar de betrokkene.

3.6. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is ingevolge het bepaalde in art. 1:4, tweede lid, Awb hoofdstuk 6 van de Awb op een procedure als de onderhavige van toepassing uitgesloten. Dat geldt derhalve ook voor het bepaalde in art. 6:17 Awb, waarin is opgenomen dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan gemachtigde zendt.

Op de onderhavige procedure (omschreven in hoofdstuk VIII van de WAHV) is evenmin enige andere regeling van procedurele aard van toepassing. Met een en ander is echter niet zonder meer gezegd, dat de betrokkene in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het enkele feit dat het hoger beroepschrift na de daarvoor gestelde termijn is binnen gekomen.

3.7. De wijze waarop de rechtsingang in hoger beroep is geregeld in art. 26a, eerste lid, WAHV, vertoont gelijkenis met de wijze waarop de rechtsingang is geregeld in de artt. 14 en 15, eerste lid, WAHV. Niet valt in te zien, om welke reden een op grond van eerstgenoemd artikel te verzenden mededeling van de beschikking van de kantonrechter niet in ieder geval zou behoren te worden verzonden naar de gemachtigde en de te verzenden beslissing van de kantonrechter ex art. 14 WAHV wel. Dit leidt, nu niet gebleken is dat in de onderhavige zaak de mededeling van de beschikking van de kantonrechter mede naar de gemachtigde is verzonden, tot het oordeel van het hof, dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid van klemmende aard, op grond waarvan ten aanzien van het na afloop van de termijn ingediende hoger beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven.

3.8. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidsstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

3.9. Bij brief van 21 maart 2002 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de verzending van dat schrijven zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag ad Euro€ 23,82 op rekeningnummer 366794 van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Tevens is aan de betrokkene medegedeeld dat hij een vastrecht is verschuldigd ten bedrage van Euro €19,29, waarvoor hij een accept-giro zal ontvangen en welk bedrag binnen twee weken na afloop van de daarop vermelde termijn dient te zijn voldaan door bijschrijving op het bankrekeningnummer van het arrondissement Amsterdam dan wel door betaling ter griffie.

3.10. Het schrijven van de griffier van de rechtbank van 21 maart 2002 kan niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 26a, tweede en derde lid, WAHV, reeds op grond dat de betrokkene er niet op gewezen wordt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

3.11. Het voorgaande brengt mee dat de griffier van de rechtbank de betrokkene nogmaals, met inachtneming van het hiervoor overwogene, in de gelegenheid zou dienen te stellen zekerheid te stellen en griffierecht te betalen.

3.12. De aard van de onderhavige verzetprocedure brengt mee, zoals ook volgt uit de verschillende in de artikelen 26 en 26a WAHV met het oog daarop gegeven voorschriften, dat op het tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel tijdig gedane verzet op korte termijn wordt beslist. Vorenoverwogene brengt mee dat in beginsel - dat wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden die een langere periode kunnen rechtvaardigen - binnen 18 maanden onherroepelijk op het verzet moet zijn beslist. Overschrijding van deze termijn levert een schending op van beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor een verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel in strijd zou komen met beginselen van behoorlijk bestuur.

3.13. Inmiddels zijn 40 maanden verstreken sinds de betrokkene verzet heeft aangetekend. Deze periode is veroorzaakt door lange perioden van inactiviteit, waarvoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. Derhalve is de eerdergenoemde termijn overschreden en brengt het in r.o. 3.12. overwogene mee, dat het verzet alsnog gegrond moet worden verklaard. Nu de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, ziet het hof aanleiding het beroep niet ter zitting te behandelen. Niet gebleken is dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter gedane verzet gegrond;

bepaalt dat het door de betrokkene in verzet betaalde griffierecht ad Euro 19,29 (ƒ 42,50), door de griffier van de rechtbank aan hem wordt gerestitueerd;

wijst af het verzoek om vergoeding van kosten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.