Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6250

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
25-03-2003
Zaaknummer
WAHV 02-00717
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00717

19 maart 2003

CJIB 25044334

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam

van 19 oktober 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 20 december 2000 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

3.2. Een redelijke uitleg van beide leden van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededelingen van de griffier van het kantongerecht tenminste moeten inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 26a WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor het nog verschuldigde bedrag en voor al de kosten, en dat griffierecht dient te worden betaald. Voorts dienen de mededelingen in te houden de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld en griffierecht moet worden betaald. Tevens dient voor de betrokkene duidelijk te zijn welke bedragen dienen te worden voldaan en dat indien deze bedragen niet worden betaald het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.3. Bij brief van 28 november 2001 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van die brief zekerheid te stellen bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden en is gewezen op de verplichting griffierecht te betalen.

3.4. Het dossier is met begeleidende brief van 15 augustus 2002, waarin is vermeld dat door de betrokkene geen zekerheid is gesteld, ingekomen bij het hof op 16 augustus 2002.

3.5. Bij brief van 29 augustus 2002 (met als bijlage een kopie van het dossier) is door de waarnemend griffier van het hof aan de sector kanton - locatie Rotterdam van de rechtbank te Rotterdam bericht, dat het schrijven van de griffier van de rechtbank van 28 november 2001 niet kan worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 26a, tweede en derde lid, WAHV, omdat het in de brief genoemde postbusnummer van het CJIB onjuist is, het wetsartikel waarop de verplichting tot het stellen van zekerheid en betaling van griffierecht berust onjuist is vermeld en niet is aangegeven, dat het griffierecht ook ter griffie betaald kan worden. De brief bevat het verzoek de betrokkene alsnog in de gelegenheid te stellen om zekerheid te stellen en het griffierecht voor de procedure bij het hof te voldoen. De brief eindigt als volgt: "Graag ontvang ik, na het verstrijken van de termijn van twee weken, doch uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief, schriftelijk bericht van u. Ik verzoek u bij uw bericht te vermelden of al dan niet betaald is en de brieven die u aan de betrokkene hebt verzonden in afschrift toe te voegen."

3.6. Op 23 januari 2003 is het dossier opnieuw ingekomen op de griffie van het hof. Afschrift van aan de betrokkene opnieuw verzonden brieven bevinden zich niet in het dossier. Blijkens telefonisch ingewonnen informatie is de betrokkene in september 2002 opnieuw in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen en griffierecht te betalen. Op een verzoek van de griffier d.d. 27 januari 2003 om alsnog een afschrift van de aan de betrokkene verzonden mededeling te zenden is niet gereageerd.

3.7. Het hof kan derhalve niet nagaan of de betrokkene op de juiste wijze is geïnformeerd omtrent het stellen van zekerheid en het betalen van griffierecht. Een en ander leidt tot het navolgende.

3.8. De aard van de onderhavige verzetprocedure brengt mee, zoals ook volgt uit de verschillende in de artikelen 26 en 26a WAHV met het oog daarop gegeven voorschriften, dat op het tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel tijdig gedane verzet op korte termijn wordt beslist. Vorenoverwogene brengt mee dat in beginsel - dat wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden die een langere periode kunnen rechtvaardigen - binnen 18 maanden onherroepelijk op het verzet moet zijn beslist. Overschrijding van deze termijn levert een schending op van beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor een verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel in strijd zou komen met beginselen van behoorlijk bestuur.

3.9. Inmiddels zijn 26 maanden verstreken sinds de betrokkene verzet heeft aangetekend. Deze periode is veroorzaakt door lange perioden van inactiviteit, waarvoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. Derhalve is de eerdergenoemde termijn overschreden en brengt het in r.o. 3.8. overwogene mee, dat het verzet alsnog gegrond moet worden verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter gedane verzet gegrond;

bepaalt dat indien en voor zover door de betrokkene griffierecht is betaald dit door de griffier van de rechtbank aan hem wordt gerestitueerd.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.