Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6167

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
BK 1016/01 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0588 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1016/01 10 maart 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bewaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd voor het jaar 1997 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (hierna: de Wet) van nihil.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 oktober 2001 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 30 november 2001 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 26 februari 2002.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 16 december 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door drs. A, zomede de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Blijkens oprichtingsakte van 1 oktober 1997 is een overeenkomst van commanditaire vennootschap aangegaan onder de naam "B CV" (hierna: de CV), waarin naast de beherend vennoot een zestal commanditaire vennoten zijn betrokken, waaronder de echtgenoot van belanghebbende.

De echtgenoot van belanghebbende heeft zijn aandeel in de CV ingebracht in een tussen hem en de belanghebbende bestaande vennootschap onder firma, waarin dezen het resultaat bij helfte verdelen.

In 1997 werd door de CV tot een bedrag van ƒ 2.370.135,- in bedrijfsmiddelen geïnvesteerd.

Overeenkomstig artikel 10a van de akte van commanditaire vennootschap werd de investeringsaftrek tussen de vennoten in die zin verdeeld, dat de beherend vennoot en de commanditaire vennoten ieder voor 14 2/7 % daarom zouden delen.

In verband daarmee hebben de vennoten bij het doen van aangifte een beroep op investeringsaftrek gedaan naar 14 2/7% - belanghebbende voor 7 1/7% - van het bedrag van de investeringen van de CV.

Bij schrijven van 28 januari 1999 heeft de inspecteur aan de gemachtigde van de vennoten meegedeeld, dat hij met de toegepaste verdeling van de investeringsaftrek niet akkoord gaat en voornemens is de aftrek bij de vennoten te corrigeren.

Bij schrijven van 8 maart 1999 heeft de gemachtigde van de vennoten daarop gereageerd met het standpunt, dat de overeengekomen afspraken in de CV-overeenkomst een zakelijke afspraak vormt en als zodanig ook fiscaal dient te worden gehonoreerd.

Gedagtekend onderscheidenlijk 29 december 1999, 7 januari 2000 en 31 juli 2000 werden aan een drietal vennoten aanslagen opgelegd overeenkomstig het door de vennoten bij hun aangifte ingenomen en bij schrijven van 8 maart 1999 verdedigde standpunt.

Alle vennoten ressorteerden onder de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen, terwijl de aangelegenheid met betrekking tot de CV werd gevoerd door één contactpersoon namens de vennoten en telkens één contactpersoon namens die eenheid.

Bij het opleggen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur naast enige thans niet in geschil zijnde correcties het aangegeven bedrag aan investeringsaftrek verminderd met ƒ 29.309,- en het belastbare inkomen vastgesteld op nihil.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de door belanghebbende gevraagde investeringsaftrek heeft gecorrigeerd, welke vraag door de inspecteur bevestigend en door belanghebbende ontkennend wordt beantwoord.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is - voorzover van dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

De verdeling van de investeringsaftrek tussen de vennoten is redelijk, nu deze in overeenstemming met het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 september 1997 (nummer DB97/2981) is verricht in gelijke delen.

Door de aan een drietal vennoten opgelegde aanslagen is bij de overige vennoten het vertrouwen gewekt, dat de inspecteur na het nodige onderzoekswerk heeft ingestemd met hun standpunt inzake de verdeling van de investeringsaftrek.

Niet kan worden gezegd, dat er sprake zou zijn van een tik- of schrijffout.

Bij het aangaan van de CV was het alle partijen bekend, dat haar echtgenoot zijn aandeel in de CV zou inbrengen in de tussen hem en haar bestaande firma. Door haar echtgenoot is het economisch belang van zijn aandeel in de CV in de firma ingebracht, zodat de investeringen daardoor deels aan haar kunnen worden toegerekend.

Zij concludeert tot vernietiging van de uitspraak, vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van nihil en veroordeling van de inspecteur in de proceskosten.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover - voorzover te dezen van belang, kort samengevat - aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

Belanghebbende kwalificeert niet als vennoot in de CV en zij kan dus ook geen deel hebben in de investeringen van de CV.

Voorts meent hij, dat de vennoten door de wijze van verdeling van de investeringsaftrek de grenzen van het redelijke hebben overschreden.

Meer subsidiair is hij van mening, dat met betrekking tot de door de vennoten gevolgde constructie sprake is van wetsontduiking.

Nog meer subsidiair is hij van mening, dat niet gehandeld is in strijd met het opgewekt vertrouwen.

Aan belanghebbende is steeds meegedeeld, dat hij de toegepaste gang van zaken wenste te bestrijden.

Door zijn collega is een verkeerde beslissing genomen door te besluiten de post administratief af te doen.

In een massaal beslissingsproces gaat er uiteraard wel eens iets mis en een dergelijke misser ontstijgt niet het niveau van een tik- of schrijffout.

De maatschappelijke realiteit vraagt in de tegenwoordige tijd van elke ambtelijke dienst een zekere ruwheid van werken.

In die situatie is het niet redelijk om aan een eventueel gemaakte selectie - of inschattingsfout een schier onbeperkte werking te geven.

Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak en tot het afwijzen van een veroordeling in de proceskosten ook voor het geval belanghebbende gelijk zou krijgen, nu deze door de gekozen constructie het risico van een procedure over zichzelf heeft afgeroepen.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Het door belanghebbende bepleite standpunt leidt - na verliescompensatie - tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van nihil.

Nu de aanslag door de inspecteur is opgelegd - na verliescompensatie - naar een belastbaar inkomen van nihil kan het beroep van belanghebbende derhalve niet tot verlaging van de aanslag leiden, zodat het beroep ongegrond is.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 10 maart 2003 door prof. mr. Aardema, vice-president, mr. Fransen, raadsheer en prof. dr. Dijstelbloem, raadheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 24 maart 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.