Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6158

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
BK 524/01 Loonbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AO7687
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AO7687
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/29.2.8
V-N 2003/18.3.5
FutD 2003-0599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 524/01 10 maart 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid grote ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende werd op grond van de Wet op de loonbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (hierna: de Wet) door de inspecteur een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedagtekend 14 november 2000, opgelegd tot een bedrag - inclusief heffingsrente - van ƒ 52.093,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 19 juni 2001 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 19 juli 2001 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van

27 augustus 2001.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 16 december 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, zomede de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden geschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende is een kleindochter van A (hierna: A), gevestigd te L (Verenigde Staten van Amerika).

A kent een International Stock Purchase Plan (hierna: ISPP), dat erin voorziet dat een aantal geselecteerde internationale managers in dit plan kunnen participeren, waarbij de deelnemers tot maximaal 5% van hun brutosalaris bedragen opzij kunnen zetten voor het aankopen van aandelen A, welke bedragen worden ingehouden op het nettosalaris.

A koopt vervolgens de desbetreffende aandelen tegen marktprijs.

In het kader van de uitvoering van de regeling is een trustovereenkomst gesloten tussen A en B Bank te L (hierna: de Trustee).

Daarnaast stort de werkgever tot hetzelfde bedrag bijdragen op de rekening van de Trustee, welke Trustee voor deze werkgevers- bijdragen eveneens aandelen A tegen marktprijs koopt, die separaat van de aandelen van de werknemer op naam van die werknemer worden geadministreerd.

De werknemers krijgen de beschikking over laatstbedoelde aandelen nadat zij telkens vijf jaren in dienst zijn gebleven van de werkgever, tenzij sprake is van eerder ontslag, pensioen of door de werkgever geïnitieerde vervroegde pensionering.

Bij eerder vrijwillig ontslag verliest de werknemer zijn recht op laatstbedoelde aandelen. Voor wat betreft belanghebbende wordt van de ISPP-regeling gebruikt gemaakt door haar directeur.

In het tijdvak werd tot een bedrag van ƒ 31.079,- door belanghebbende aan de Trustee overgemaakt ten behoeve van haar directeur.

Over voormeld bedrag werd door belanghebbende geen loonbelasting afgedragen.

Bij het opleggen van de onderwerpelijke naheffingsaanslag heeft de inspecteur voormeld bedrag van ƒ 31.079,- gebruteerd en een bedrag van ƒ 46.617,- aan loonbelasting nageheven, welk bedrag hij heeft verhoogd met een bedrag van ƒ 5.476,- aan heffingsrente.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht voormeld bedrag van ƒ 31.079,- in de heffing voor de loonbelasting heeft begrepen, welke vraag door de inspecteur bevestigend en door belanghebbende ontkennend wordt beantwoord.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is - voorzover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

Naar haar oordeel is sprake van loon onder opschortende voorwaarde, zodat de inspecteur dit loon ten onrechte in de loonbelasting heeft begrepen.

Subsidiair is zij van mening dat ten onrechte brutering heeft plaatsgevonden.

Zij concludeert primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van ƒ 18.647,-, zomede tot een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

Primair is hij van mening, dat sprake is van een te belasten aanspraak, welke niet aangemerkt kan worden als een premiespaarregeling.

Subsidiair is hij van mening dat het voordeel wordt genoten onder een ontbindende voorwaarde, op grond waarvan heffing behoort plaats te vinden.

Hij geeft toe dat ten onrechte brutering heeft plaatsgevonden.

Hij concludeert tot vermindering van de aanslag tot een bedrag van ƒ 18.646,-, te vermeerderen met heffingsrente.

6. De overwegingen omtrent het verschil.

Naar het bepaalde in artikel 10, lid 2, van de Wet, behoren tot het loon aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

In zijn algemeenheid behoren tot de aanspraken in de hiervoor bedoelde zin niet rechten, die rechtstreeks voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en inhouden dat bij in dienst blijven te zijner tijd een extra beloning zal worden uitgekeerd.

Vaststaat, dat belanghebbende ten behoeve van haar directeur in het kader van het ISPP in het tijdvak bedragen tot een totaal van

ƒ 31.079,- heeft gestort bij de Trustee, welke tegen marktprijs daarvoor aandelen A heeft gekocht, die ten name van de directeur werden geadministreerd.

Voorts staat vast, dat de directeur van belanghebbende nadat hij gedurende vijf jaren in dienst van belanghebbende is gebleven, de beschikking over bedoelde aandelen krijgt en hij bij het beëindigen van de dienstbetrekking binnen die vijf jaren, anders dan door overlijden, pensioen of door belanghebbende geïnitieerde vervroegde pensionering, zijn recht op die aandelen verliest.

Een schrijven van 2 april 1998 van de directeur van C SA te M (Spanje) vermeldt onder meer de volgende passages:

"The employee terminates his employment voluntarily (including voluntary early retirement initiated by the employee), thus causing termination of the scheme as it affects him: this terminates vesting. Vesting is over 5 years and, as an extreme example, the employee would lose all his rights if he leaves the company after 4 years and 11 months."

" "Termination of employment due to dismissal": on dismissal the employee loses all rights. Logically he does not lose the shares contributed by himself."

"As to the participant's own shares, he would receive the dividend. As to shares for which the vesting period is not over, there would be no effect, since the property to the shares does not pass until the vesting period is over. There would be no "accrual" of dividend rights."

Gelet op die ISPP-regeling - welke in afschrift tot de stukken van het geding behoort - in samenhang met voormelde passages, welke naar 's hofs oordeel licht op de regeling werpen - is het hof van oordeel, dat deze regeling betreft een door belanghebbende aan haar directeur toegekend voordeel onder de opschortende voorwaarde van het door de directeur in stand houden van zijn dienstbetrekking met belanghebbende gedurende vijf jaren en dit voordeel voor de directeur eerst betekenis krijgt, nadat aan die voorwaarde is voldaan, één en ander met de kennelijke bedoeling

de directeur gedurende bedoelde periode aan zich te binden.

Onder de hiervoor omschreven omstandigheden is de regeling niet aan te merken als een aanspraak in de zin van voormeld tweede lid van artikel 10 van de Wet.

Opmerking verdient daarbij, dat de opschortende voorwaarde is gelegen in de sfeer van de relatie tussen belanghebbende en haar werknemer en niet een buiten die relatie liggende feitelijkheid.

Nu - zoals hiervoor overwogen - sprake is van een voordeel, dat wordt genoten onder opschortende voorwaarde en deze voorwaarde gedurende het tijdvak niet ten aanzien van enig bedrag is vervuld, is er, gelet op artikel 13a, lid 1, van de Wet, in het tijdvak geen voordeel genoten.

Het beroep is derhalve gegrond, voor welk geval tussen partijen niet in geschil is, dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8: 75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt of € 1.288,-.

7. De beslissing:

Het hof

Verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vernietigt de naheffingsaanslag;

bepaalt, dat het betaalde griffierecht ad. € 204,20 aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 1.288,- te betalen door de Staat der Nederlanden.

Gedaan op 10 maart 2003 door prof. mr. Aardema, vice-president, mr. Fransen, raadsheer en prof. dr. Dijstelbloem, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van griffier mr. De Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 24 maart 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.