Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6034

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
BK 1041/01 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/739
FutD 2003-0564
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 1041/01 14 maart 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z, tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Eemsmond

(: de ambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet).

1. Ontstaan en loop van het geding.

Ingevolge de Wet heeft de ambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak a-weg 4 te Z waarvan de belanghebbende gebruiker is, vastgesteld bij beschikking onder nummer 00000, gedateerd 17 april 2001. Daarbij is de waarde vastgesteld op f. 180.000,--.

Bij de uitspraak waarvan beroep, verzonden 21 november 2001, is de bovenvermelde waarde gehandhaafd.

Het beroepschrift (met bijlagen) is op 5 december 2001 ter griffie ingekomen. De ambtenaar heeft op 9 april 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Bij de mondelinge behandeling van 11 oktober 2002, gehouden te Groningen, waren aanwezig de belanghebbende en de gemachtigde van de ambtenaar, zijnde mr. A, werkzaam bij B b.v. te L.

Ter voormelde zitting heeft de belanghebbende een door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Het gerechtshof heeft op 25 oktober 2002 mondeling uitspraak

gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal

zijn op 5 november 2002 per aangetekende post aan de partijen verzonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 23 december 2002 is bij het gerechtshof een verzoek van de belanghebbende ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Uiteindelijk heeft het hof besloten uitvoering aan dit verzoek te geven.

Het door de belanghebbende verschuldigde griffierecht is op

tijd voldaan.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende, weersproken het volgende vast:

2.1. Bij beschikking van 17 april 2001 is door de ambtenaar ten aanzien van de belanghebbende als gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 4 te Z (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

De onroerende zaak betreft het restaurant C gelegen op het terrein van de D te Z. Boven het restaurant is een bedrijfswoning gesitueerd die door de belanghebbende wordt bewoond. Dit betreft een ander object, waarvoor een afzonderlijke

WOZ-beschikking is afgegeven.

2.2. De in het geding betrokken onroerende zaak betreft een onderdeel van een Rijksmonument zoals bedoeld in voornoemd artikel 17, derde lid van de Wet. De waarde van de onroerende zaak is door de ambtenaar berekend op basis van de zogenaamde huurkapitalisatie-

methode.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

De belanghebbende betwist de vastgestelde waarde zoals weergegeven in de van hem afkomstige stukken.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheiden standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1. Zoals blijkt uit het bepaalde in artikel 17 van de Wet wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de betreffende onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

Ingevolge artikel 18, eerste lid van de Wet wordt de waarde van

een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

4.2. Bij uitspraak waarvan beroep heeft de ambtenaar de vastgestelde waarde onverminderd gehandhaafd op f. 180.000,--. De ambtenaar verwijst voor de onderbouwing hiervan naar een taxatierapport van 21 september 2002, opgemaakt door de taxateur E, werkzaam bij B b.v..

4.3. Blijkens dat rapport is de waarde van de onroerende zaak per peildatum vastgesteld op f. 180.000,--. Bij die vaststelling is gebruik gemaakt van de huurwaarde kapitalisatiemethode. De taxatiewaarde is gedetailleerd en inzichtelijk onderbouwd en is zekerheidshalve gerelateerd aan verkoopcijfers van vergelijkbare objecten.

4.4. De waarde van het hiervoor genoemde goed onderbouwde taxatierapport heeft belanghebbende niet weten te ontkrachten.

De door de woz-taxateur E bepaalde waarde, gebaseerd op de huurprijs maal de kapitalisatiefactor, kan dan ook dienen als onderbouwing van de door de ambtenaar vastgestelde waarde. Niet aannemelijk is geworden dat de huurprijs dan wel kapitalisatiefactor onjuist zouden zijn.

4.5. Het gerechtshof gaat voorbij aan belanghebbendes stelling dat de waarde van de onroerende zaak op f. 1,-- gesteld zou moeten worden - op grond van het feit dat het een rijksmonument betreft waar in feite geen waarde aan toe te kennen zou zijn - nu de betreffende onroerende zaak op commerciƫle basis als restaurant wordt geƫxploiteerd.

4.6. Ook belanghebbendes overige argumenten kunnen de onderbouwing van de waarde door de ambtenaar niet ondergraven.

5. De conclusie

Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.

6. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 14 maart 2003 door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter en raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier dhr. J.M. Gerrits en ondertekend door voornoemde voorzitter en voornoemde griffier.

Op 19 maart 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.