Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5975

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
Rolnummer 000280
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AR6459
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AR6459
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 19 maart 2003

Rolnummer 000280

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

eerste kamer voor burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest gewezen inzake:

Het Academisch Ziekenhuis Groningen,

gevestigd te Groningen,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: AZG,

procureur: mr P.R. van den Elst,

voor wie gepleit heeft mr M.F.H.M. van Haastert, advocaat te Zwolle,

tegen

De erfgenamen van wijlen [overledene],

te weten:

1.[geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres bij monde van wijlen [overledene],

toevoeging nr. 5AT1968

(eigen bijdrage: (f 205,--)

verder te noemen: [geïntimeerde 1],

procureur: mr J.S. Bauer,

voor wie gepleit heeft mr M.L. Stroink, advocaat te Groningen,

2.[geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

en [geïntimeerde 2a] en [geïntimeerde 2b] q.q. als wettelijke vertegenwoordiger van [vertegenwoordigde 1] en [vertegenwoordigde 2] q.q. als wettelijk vertegenwoordiger van [vertegenwoordigde 3] en [vertegenwoordigde 4],

geïntimeerden in het principaal appel,

in eerste aanleg: eisers bij monde van wijlen [overledene],

verder gezamenlijk aan te duiden als: [geïntimeerden],

procureur: mr F. Van der Hoef;

De inhoud van het tussenarrest van 28 augustus 2002 wordt hier overgenomen.

Het verdere verloop van de procedure

De bij bedoeld tussenarrest bevolen comparitie van partijen heeft geen doorgang gevonden.

Het AZG heeft een akte genomen, zulks onder overlegging van een tweetal producties.

[geïntimeerde 1] heeft een antwoord-akte genomen, waarbij een drietal producties is overgelegd.

Partijen hebben andermaal de stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De verdere beoordeling

Met betrekking tot grief III:

1. Grief III komt op tegen de verwerping door de rechtbank van het door het AZG gedane beroep op rechtsverwerking c.q. misbruik van procesrecht.

2. Het hof heeft in zijn tussenarrest terzake van dit verstrekkende verweer nog geen beslissing genomen en zal dat thans alsnog doen.

3. Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting geen andere stellingen of verweren dan dewelke reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank in het beroepen vonnis onder overweging 6.2 gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt een en ander over. Daarbij onderstreept het hof dat het enkele feit dat [overledene]/[geïntimeerde 1] eerst op 23 december 1992 (door middel van een stuitingsbrief) hebben aangegeven zich niet neer te leggen bij de afwijzing van de aansprakelijkheid - door of namens het AZG - bij brief van 24 april 1989 (productie 6 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg) bij het AZG niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon wekken dat [overledene]/[geïntimeerde 1] van het instellen van een rechtsvordering zou afzien.

Met betrekking tot het tussenarrest van 28 augustus 2002:

4. In rechtsoverweging 16 van zijn tussenarrest heeft het hof abusievelijk de voorzitter van de Commissie ex art. 1 aangeduid als zijnde de hoofddirecteur van Gezondheidszorg aangemerkt. Duidelijk is dat het hof in bedoelde overweging refereert aan de stelling van [geïntimeerde 1] onder 8.9 van de memorie van antwoord in hoger beroep en dat derhalve gedoeld wordt op de brief d.d. 08-11-1984 van de voorzitter van de Commissie ex art.1 aan de hoofddirecteur van Gezondheidsbescherming, welke brief door het AZG bij haar laatste akte is overgelegd. Bedoelde brief had betrekking op het product Armour Factorate VIII (IP) en niet - zoals abusievelijk in bedoelde overweging 16 van het tussenarrest staat - Armour Factorate VIII (IT). Deze beide kennelijke verschrijvingen worden hierbij gerectificeerd.

5. Het AZG betoogt in haar laatste akte dat het hof op deze eindbeslissing terug dient te komen nu er - in haar visie - sprake is van een evidente vergissing van het hof, althans van een situatie waaruit thans blijkt dat de feitelijke grondslag van de beslissing onjuist is.

6. Het hof kan het AZG in dat betoog niet volgen. Blijkens het door [geïntimeerde 1] gestelde onder 8.9 van de memorie van antwoord in appel was bedoelde brief (waarover het hof op het moment van het wijzen van het tussenarrest niet beschikte) een vervolg op een eerder rondschrijven van de firma Armour aan de behandelaars waarin Factorate IP als een goedkoper en kwalitatief veel minder goed product (dan Hemofil T en Factorate HP) werd aangemerkt. Dat bedoelde brief van 08-11-1984 een waarschuwing terzake bevatte heeft het hof afgeleid (en kunnen afleiden) uit het gestelde onder 8.10 van bedoelde memorie van antwoord. Voorzover uit de brief zelve al geen waarschuwing kan worden afgeleid, houden de desbetreffende stellingen van [geïntimeerde 1] (welke door het AZG tot dan toe niet waren weersproken) toch in ieder geval in dat een dergelijke waarschuwing valt te lezen in het eerdere schrijven van de firma Armour aan de behandelaars, een schrijven waarvan het AZG (ook bij haar nadere akte) niet betwist dat zij daarmee bekend was. Indien het derhalve juist is dat het AZG destijds niet op de hoogte was van de inhoud van bedoelde brief van 08-11-1984, leidt dat niet tot een voor het AZG gunstiger beslissing, te weten een latere datum als door het hof bedoeld in de laatste zin van overweging 16 van het tussenarrest.

7. De rechtbank heeft in het beroepen vonnis onder de vaststaande feiten onder meer het volgende vermeld:

In de loop van april 1986 werd in de medische wereld duidelijk dat de wijze van hittebehandeling zoals toegepast bij Factorate HT (mogelijk) onvoldoende was om het hiv-virus volledig te elimineren. Op 5 april 1986 verscheen in "The Lancet" een Nederlandse Publicatie, waarin werd bericht dat een Nederlandse hemofiliepatiënt uit het Academisch Medisch Centrum (AMC) met het hiv-virus besmet was geraakt door gebruik van Factorate HT.

8. Het hof heeft - mede naar aanleiding van het gestelde in grief I - in overweging 14 van zijn tussenarrest vervolgens vastgesteld dat bedoelde brief "slechts betrekking heeft op Armour Factorate VIII HT (IP)". Vervolgens heeft het hof (onder 15) overwogen "dat het AZG slechts onrechtmatig jegens [overledene] heeft gehandeld indien het - al dan niet bij wege van incident - Armour Factorate HT (IP) aan [overledene] heeft toegediend op het moment dat het wist, althans had moeten weten dat dat product als onveilig moest worden beschouwd". Tegen die achtergrond gaat het hof thans voorbij aan de bij zijn laatste akte door het AZG geponeerde stelling dat op het gebied van de virusveiligheid geen onderscheid zou zijn te maken tussen Factorate HT (HP) en Factorate HT (IP).

9. Onder verwijzing naar hetgeen het hof in het tussenarrest onder 21 heeft overwogen, acht het hof termen aanwezig om andermaal een comparitie van partijen te gelasten, voor het beproeven van een minnelijke regeling. In verband met dat laatste is het noodzakelijk dat alle partijen, derhalve ook [geïntimeerden] ter comparitie (in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd) aanwezig zijn. Het verdient aanbeveling ter comparitie ook een vertegenwoordiger van de betrokken verzekeraar(s) aanwezig te doen zijn.

10. Gelet op het principiële karakter van de tot op heden genomen beslissingen bepaalt het hof dat beroep in cassatie kan worden ingesteld voordat het eindarrest is gewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:

gelast partijen (het AZG deugdelijk vertegenwoordigd) vergezeld van hun raadslieden te verschijnen voor het verschaffen van inlichtingen en het beproeven van een schikking;

bepaalt dat de comparitie van partijen zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nader in overleg met partijen vast te stellen datum en tijdstip, ten overstaan van de raadsheer in dit hof, mr. K.E. Mollema, te dezen benoemd tot raadsheer-commissaris;

verwijst de zaak voor dagbepaling van de comparitie van partijen naar de rol van woensdag 2 april 2003;

bepaalt dat het AZG, als meest gerede partij, uiterlijk twee weken tevoren het volledige procesdossier ter griffie van het hof doen bezorgen, bij gebreke waarvan de procureur van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden] alsnog de gelegenheid hebben uiterlijk één week voor de vastgestelde datum de processtukken over te leggen;

bepaalt dat beroep in cassatie kan worden ingesteld voordat eindarrest is gewezen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Verschuur en Falkena, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 19 maart 2003.