Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5663

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
BK 463/01 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/16.3.4
FutD 2003-0521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 463-01 7 maart 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen, vestiging Assen, (hierna: de inspec-teur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1997 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 617.959,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 26 mei 2001 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van

f 262.959,-.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 28 juni 2001 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 2 november 2001 (met bijlagen).

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 27 januari 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van de heer A, alsmede de inspecteur, vergezeld van de heer B.

Ter voormelde zitting heeft belanghebbende een pleitnota, welke hij reeds had ingezonden bij brief van 16 januari 2003 en waarvan afschrift is gezonden aan de inspecteur, voorgedragen. De inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de inspecteur bij zijn pleitnota een aantal bijlagen overgelegd. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende, geboren 14 maart 1960, drijft sinds 1991 een onderneming, bestaande uit een aandeel in de vennootschap onder firma, welke hij samen met de heer C drijft onder de naam D (: de vof). De vof treedt op als een raadgevend ingenieursbureau. De firmanten hebben een HTS-opleiding.

2.2 Met dagtekening 25 juli 1997 deed belanghebbende een verzoek om toepassing van geruisloze overgang per 1 januari 1997. Bij dit verzoek werd een berekening van de goodwill gevoegd, uitkomend op f 600.000,- voor ieder van beide firmanten. De fiscale winst van de vof bedroeg in 1996 f 398.290,-. In de goodwillberekening werd echter uitgegaan van f 511.290,-.

2.3 Bij beschikking van 20 april 1998 stelde de inspecteur de toepasselijke standaardvoorwaarden vast en bepaalde hij als overgangstijdstip 1 januari 1997.

2.4 Bij akte van 30 maart 1998 werd de besloten vennootschap E B.V. (: de BV) opgericht. Bij akte van eveneens 30 maart 1998 werd de door belanghebbende gedreven onderneming in de BV ingebracht als storting op het uitgegeven aandelenkapitaal van f 552.000,-. Voor het bepalen van de inbrengwaarde werd uitgegaan van een aanwezige goodwill van f 600.000,- verminderd met een belastinglatentie van 20% ofwel f 120.000,-.

2.5 Bij de uitspraak op bezwaar is de inspecteur uitgegaan van een goodwill van f 125.000,- per firmant.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

a. of de goodwill gesteld moet worden op f 440.000,- (standpunt belanghebbende) of f 125.000,- (standpunt inspecteur);

b. of de glijclausule toepassing kan vinden;

c. of alsnog een stakingslijfrente kan worden bedongen indien een geruisloze overgang niet mogelijk is.

Belanghebbende beantwoordt de vragen b en c bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben ter zitting geen argumenten toegevoegd. Ter zitting heeft belanghebbende zijn stelling dat de uitspraak om formele redenen moet worden vernietigd, ingetrokken.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 De inspecteur berekent in zijn verweerschrift onder punt 6.2.5 de goodwill op twee manieren. De voor belanghebbende gunstigste manier is als volgt:

jaar netto-winst rente 8% arbeidsbeloning geschoonde winst

per firmant per firmant per firmant

1994 f 142.155 f 10.500 f 135.000 f 3.345 negatief

1995 f 251.238 f 19.400 f 150.000 f 81.838

1996 f 192.295 f 22.535 f 160.000 f 9.660

winst 1994 f 3.345 negatief x 1 = f 3.345 negatief

winst 1995 f 81.838 x 2 = f 163.676

winst 1996 f 9.960 x 3 = f 28.980

totaal f 189.313 : 6 =

f 31.552 x factor 3 = f 94.656,- goodwill.

4.2 Belanghebbende bestrijdt de cijfers van de inspecteur op zichzelf niet (zie blz. 4 pleitnota bovenaan). Hij wenst echter uit te gaan van een hogere winst over 1996, omdat in dat jaar bijzondere omstandigheden aan de orde zouden zijn. Het hof is echter van oordeel dat elk jaar wel zijn tegenvallers heeft en dat het elimineren van bepaalde verliesposten tot een irreƫel hoge winst leidt.

4.3 Belanghebbende wil voorts uitgaan van een ondernemersbeloning van f 125.000,-. Gelet op de aard van activiteiten van de vof (zie 2.1) en de daarvoor vereiste kwaliteiten acht het hof de door de inspecteur bij de goodwillberekening gehanteerde arbeidsbeloningen echter passend.

4.4 Naar de mening van belanghebbende is anders dan in de casus van de uitspraak van dit hof van 4 mei 2001, LJN-nummer: AB1487, zaaknr: 99/30089, minder sprake van conjunctuurgevoeligheid, zodat de factor niet op 3 maar op 5 moet worden gesteld. Naar het oordeel van het hof is de markt van een raadgevend ingenieursbureau, die in verband staat met de woning- en utiliteitsbouw, echter ook conjunctuurgevoelig. Een hogere factor dan 3 is dan ook niet aangewezen.

4.5 Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de door de inspecteur aangenomen goodwill van f 125.000,- per firmant niet te laag is. Bij geschilpunt 3.1 sub a is het gelijk derhalve aan de zijde van de inspecteur. Dit houdt in dat niet is voldaan aan de zevende standaardvoorwaarde en dat voorshands sprake is van een ruisende overgang. Voor dat geval is niet gesteld of aannemelijk geworden dat de aanslag, zoals verminderd bij de bestreden uitspraak, onjuist is berekend.

4.6 Belanghebbende wil dat in het onderhavige geval alsnog de glijclausule wordt toegepast. Naar het oordeel van het hof kan niet gezegd worden dat belanghebbende in het onderhavige geval niet een te verdedigen standpunt had. In beginsel moet daarom toepassing van de glijclausule op basis van het Besluit van 15 maart 1996 (nr. DB95/3337M), met bijlage, BNB 1996/199, naar het oordeel van het hof wel worden toegestaan.

4.7 Voor het geval geen geruisloze overgang meer mogelijk is wenst belanghebbende alsnog een stakingslijfrente te bedingen. Gelet op het onder 4.6 overwogene is dit punt niet meer aan de orde.

4.8 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 7 maart 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. H.H.A. Fransen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 12 maart 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.