Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5543

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2003
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
WAHV 02-01110
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2003-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/01110

27 februari 2003

CJIB 19042138249

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 30 juli 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 februari 2003. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. W.S. Sikkema. De betrokkene noch de gemachtigde van de betrokkene zijn verschenen.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 180,-- (€ Euro 81,68) opgelegd ter zake van "uitvoegen zonder overige verkeer voor te laten gaan", feitcode R 511, welke gedraging zou zijn verricht op 8 mei 2001 op de A10 West BU 21.8 te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kentekennummer]

3.2. De gemachtigde stelt als bestuurder van vorenbedoeld voertuig ten tijde en ter plaatse als voormeld de gedraging niet te hebben verricht. Hij reed op de rijbaan voor rechtdoorgaand verkeer en kon uitvoegen naar (één van de) stroken voor rechtsafslaand verkeer, omdat een bestuurder van een auto aldaar hem met een armgebaar toestond om tussen het zich op die strook bevindende verkeer, dat langzaam reed dan wel stilstond, plaats te nemen. De verbalisant zal bedoeld armgebaar niet hebben waargenomen. Hij signaleert tevens een tegenspraak in de motivering van de verbalisant, waar deze enerzijds aangeeft, dat hij "de file in", d.w.z. tussen langzaam rijdend, c.q. stilstaand verkeer, uitvoegde waardoor het "achteropkomend verkeer hard moest remmen".

3.3. De in feitcode R 511 vermelde gedraging is een overtreding van art. 54 RVV1990, dat luidt als volgt:

"Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan."

Van de genoemde gevallen is in casu van belang "van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden."

3.4. De in het zaakoverzicht opgenomen toelichting van de verbalisant houdt in, voor zover hier van belang:

"Betrokkene voegde zeer laat uit, de file in, waardoor het achterop komende verkeer hard moest remmen."

3.5. De hierboven weergegeven toelichting verschaft in onvoldoende mate duidelijkheid of, - in weerwil van hetgeen de betrokkene opmerkt ten aanzien van het gegeven, dat hem door een bestuurder op de uitvoegstrook ruimte is verschaft om uit te voegen -, het verkeer op de uitvoegstrook achteropkomend verkeer hard heeft moeten remmen, ondanks het feit, dat in file werd gereden, of dat, - zoals door de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal ter zitting is gesteld, - met het achteropkomend verkeer in de toelichting de zich achter de betrokkene op de rijstrook voor het doorgaande verkeer bevindende bestuurders zijn bedoeld.

3.6. Uitgaande van de laatste variant, dat door het rijgedrag van de bestuurder niet het verkeer op één of beide stroken voor rechtsafslaand verkeer is gehinderd -zoals de bestuurder ook stelt -, levert het handelen van de bestuurder niet op de gedraging, zoals hiervoor onder 3.1. vermeld. Deze heeft, gelet op de tekst van de onderliggende wettelijke bepaling, immers slechts betrekking op het niet voor laten gaan van het verkeer dat zich op één of beide van de stroken voor rechtsafslaand verkeer bevindt.

3.7. Waar gegronde twijfel bestaat of de gedraging zoals bedoeld in art. 54 RVV1990 heeft plaatsgevonden en op de feitelijke gedraging niet geen andere gedraging als bedoeld in art. 2, eerste lid WAHV van toepassing is, volgt dat ten onrechte een sanctie aan de kentekenhoudster is opgelegd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking, dan ook vernietigen, in voege als na te melden.

3.8. Niet gebleken is dat er zijn kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 24 november 2001, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 19042138249 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € €Euro 81,68, door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.