Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5424

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-03-2003
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
24-001132-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001132-02

Arrest d.d. 11 maart 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank van het arrondissement Assen d.d. 22 januari 2002 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Joegoslavië),

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in P.I. HvB Ter Apel, Ter Apelervenen 10,

9561 MC Ter Apel,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. H.J.M. Nijholt, advocaat te Emmen.

Het vonnis waarvan beroep.

De politierechter in de rechtbank van het arrondissement Assen heeft de verdachte bij voormeld vonnis bij verstek wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De verdachte is d.d. 24 oktober 2002 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 25 februari 2003.

De beslissing op het hoger beroep.

Nu blijkens de processtukken het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg achterwege is gebleven, kan het hof niet beoordelen, of het onderzoek in eerste aanleg overeenkomstig de eisen van de Wet heeft plaatsgevonden, noch of het vonnis, waarvan beroep, aan de wettelijke eisen voldoet, zodat het vonnis moet worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Tenlastelegging.

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus onder 1 aan verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring.

Ten aanzien van verdachte acht het hof bewezen dat:

onder 2:

hij op 06 februari 2001, te Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een metalen gasaansteker in de vorm van een pistool (voorzien van het fabriekslogo van de vuurwapenfabrikant Beretta), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens - kort gezegd - de niet-strafbaarheid van het onder 2 tenlastegelegde feit. De raadsman heeft in dat verband aangevoerd dat dit feit niet als "overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" (WWM) gekwalificeerd kan worden, nu in de tenlastelegging niet het bestanddeel is opgenomen dat het vuurwapen voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

Artikel 13 WWM luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Het is verboden een wapen van categorie I (...) voorhanden te hebben (...).

Artikel 2 WWM bepaalt voorts - voor zover hier van belang -:

1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

7° andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

Het hof is van oordeel dat - indachtig voornoemde bepalingen van de Wet wapens en munitie - hetgeen hiervoor ten laste van de verdachte onder 2 is bewezenverklaard, kan worden gekwalificeerd als "overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie". Immers ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij een wapen van categorie I onder 7° voorhanden heeft gehad. Voorts is, naar het oordeel van het hof, deze "wetsterm" voldoende feitelijk omschreven, nu in de tenlastelegging is vermeld - voor zover hier van belang - dat het een metalen gasaansteker in de vorm van een pistool betrof die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen. Opmerking verdient dat ook van de zijde van de verdachte niet is aangevoerd dat hetgeen hem, verdachte, wordt verweten onvoldoende feitelijk zou zijn omschreven.

Uit bovenstaande vloeit voort dat het verweer van de raadsman van verdachte wordt verworpen. De stelling van de raadsman, dat in de tenlastelegging letterlijk had moeten worden vermeld dat het wapen "voor bedreiging of afdreiging geschikt is" vindt geen steun in het recht.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf:

onder 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Hierbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 6 februari 2001, samen met zijn vriendin, schuldig gemaakt aan een overtreding van de Wet wapens en munitie. Zij hadden op deze datum een metalen gasaansteker voorhanden (een wapen van categorie I onder 7°) welke gasaansteker sprekend lijkt op een echt vuurwapen (het hof wijst in dit verband op foto 2 op pagina 25 van het proces-verbaal van politie). Het bezit van dergelijke voorwerpen is vanwege hun sterke gelijkenis met echte wapens verboden en daarom is een strafrechtelijke reactie passend. Daarbij komt nog, dat de verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst te Almelo d.d. 23 december 2002 - op 23 juni 2000 ook reeds is veroordeeld ter zake van een overtreding van voornoemde wet.

Op grond van het voorgaande en gelet ook op de richtlijnen van het openbaar ministerie, komt in principe een geldboete van (ongeveer) 250 euro als straf in aanmerking. Het hof dient echter rekening te houden met de zeer beperkte financiële draagkracht en de persoon van verdachte:

Verdachte is een 28-jarige man afkomstig uit voormalig Joegoslavië en zit op dit moment (reeds zes maanden) vast in P.I. HvB Ter Apel, in afwachting van zijn uitzetting. Voorts heeft verdachte een kind en een vriendin in Nederland.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, dient aan verdachte - uit het oogpunt van normhandhaving - een onvoorwaardelijke geldboete te worden opgelegd van 125 euro.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld onder 2 tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart dit feit en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van eenhonderdvijfentwintig euro, met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van twee dagen zal worden toegepast;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Zwerwer, voorzitter, Van der Meer en Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. Jongeling als griffier.