Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5330

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
07-03-2003
Zaaknummer
WAHV 02/01073
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22, geldigheid: 2003-02-26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2003-02-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/01073

26 februari 2003

CJIB 99044265440

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam

van 19 juli 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 250,-- (Euro€ 113,45) opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom (gedragsregel); > 25 km/h en t/m 30 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 17 juli 2001 op de Provincialeweg N218 te Spijkenisse.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij stelt, dat mogelijk de snelheid van een andere bromfietser is gemeten. Voorts wijst hij er op, dat de bromfiets (bromscooter) tweemaal, te weten op 12 juli 2001 en op 17 juli 2001 op een rollenbank was geplaatst en dat daarbij geen afwijkingen waren geconstateerd. De betrokkene klaagt er verder over, dat hij noch zijn gemachtigde door de officier van justitie is gehoord. Tenslotte wordt door de betrokkene de betrouwbaarheid van de meting in twijfel getrokken en een geldig ijk- of calibratierapport van het meetapparaat ( de z.g. lasergun) alsmede een diploma c.q. bedieningscertificaat ten name van de betrokken verbalisant gevraagd.

3.3. Art. 7:16, eerste lid, Awb luidt als volgt:

"Voordat een bestuursorgaan op het beroep beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord." Uit het dossier blijkt niet dat de betrokkene of de gemachtigde door de officier van justitie is gehoord, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dat niet is geschied.

3.4. De betrokkene klaagt terecht over dit verzuim. Dit kan evenwel niet tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden op grond van het navolgende. Ingevolge art. 6:22 Awb kan de kantonrechter, niettegenstaande een dergelijk verzuim, de beslissing van de officier van justitie in stand laten - en het beroep in zoverre ongegrond verklaren - indien blijkt dat de betrokkene daardoor niet is benadeeld. Het in deze bestreden beslissing besloten liggende oordeel van de kantonrechter dat deze situatie zich in de onderhavige zaak voordoet is juist, in aanmerking genomen dat de betrokkene behoorlijk voor de zitting van de kantonrechter is opgeroepen, aldaar niet is verschenen noch om aanhouding van de behandeling heeft gevraagd en derhalve kennelijk ervoor heeft gekozen om zijn standpunt mondeling niet nader toe te lichten.

3.5. De in het zaakoverzicht opgenomen op ambtseed opgemaakte toelichting van de verbalisant houdt onder meer het volgende in: "De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidscontrole-apparaat. Meetafstand: 78,1 meter. Gemeten (afgelezen) snelheid: 71 km per uur. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 68 km per uur. De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de richtlijnen van de VCOM, uitgevoerde correctie op de afgelezen snelheid van het controle-apparaat."

3.6. Een proces-verbaal nr 2002079365, op ambtseed opgemaakt door de verbalisant, d.d. 19 maart 2002 houdt, onder meer, in: "Het controlemiddel, zijnde de Laser Patrol, nr. 9134, is door mij gehanteerd op een lokatie, alwaar verbalisant/ambtenaar vrij zicht had op de be(t)rokkene. Ik bevond mij op het geasfalteerde gedeelte tussen de rijbaan van de Provinciale weg N218 (Groene Kruisweg) (...) en de daarnaast aan de zuidelijke zijde gelegen busbaan. Ik bevond mij aldaar met een door de dienst beschikbaar gestelde dienstmotorfiets (..). Voor het verrichten van een snelheidsmeting van de Laser Patrol, moet de (gecertificeerde) bedienaar stilstaan, om een meting met dit apparaat te kunnen maken. Indien de bedienaar niet stilstaat dan is het absoluut onmogelijk een meting te verrichten. In de nabijheid van de gemeten betrokkene was of waren geen andere weggebruikers waarneembaar. In ieder geval niets of niemand anders die gemeten zou kunnen worden, omdat de Laser Patrol met een laserpoint werkt en alleen werkt als deze op het bewegende punt wordt gericht. Nadat de meting had plaatsgevonden en de bestuurder werd achterhaald, werden wij ingehaald door een bestuurder van een tweewielige bromfiets, die inderdaad ook harder reed dan de toegestane maximum snelheid. Echter voor het laten uitlezen van de snelheid door de betrokkene vanaf het display, zoals de eerdere richtlijnen gebruik Laser Patrol (het hof leest: voorschrijven), kon geen andere meting meer worden gedaan, omdat de laatste meting in het geheugen blijft staan en bij een nieuwe meting de vorige wegvalt. Tevens was verbalisant op dat moment in beweging met de dienstmotor en is het gebruik (het hof leest: van de) Laser Patrol onmogelijk."

3.7. De Aankondiging van Beschikking in deze zaak bevat als verklaring van de betrokkene: "Ik had op de teller ook zo'n 65 km/u staan."

3.8. Het hof ziet, op grond van de inhoud van het proces-verbaal onder 3.6 weergegeven, in hetgeen door en namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding eraan te twijfelen dat de meting betrekking heeft op het door de betrokkene bestuurde voertuig.

3.9. Uit hetgeen in de overwegingen 3.5 en 3.6 is vermeld kan worden afgeleid, dat de meting is verricht met behulp van een Laser Patrol, - een snelheidscontroleapparaat, dat de snelheid meet door middel van door het gemeten voertu ig gereflecteerde laserlicht -, door een voor het gebruik daarvan opgeleide bedienaar die gebruik heeft gemaakt van een getest en geijkt apparaat, en dat de meting door de verbalisant is verricht door stilstaand naast de rijbaan het apparaat op een afstand van 78,1 meter op het voertuig van de betrokkene te richten, waarop hij onbelemmerd zicht had. Het hof ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting.

3.10. Uit het proces-verbaal onder 3.6 vermeld blijkt, dat de betrokkene na staandehouding is geconfronteerd met de op het display van de Laser Patrol geregistreerde gemeten snelheid. In het licht hiervan hecht het hof ondanks de latere betwisting door de betrokkene geloof aan de waarneming van de verbalisant omtrent de verklaring van de betrokkene, zoals opgenomen in de aankondiging van de beschikking, waarin overtreding van de maximumsnelheid wordt toegegeven. Hetgeen door de betrokkene wordt opgemerkt over de testen op de rollenbank, indien al juist, staat aan een en ander niet in de weg.

3.11. Voor zover de overlegging van een ijkrapport en een een diploma c.q. bedieningscertificaat ten name van de betrokken verbalisant wordt gevraagd overweegt het hof, dat geen wettelijke bepaling voorschrijft, dat in een geval als het onderhavige het ijkrapport of een bedieningscertificaat deel uitmaakt van de stukken van het geding. Een en ander brengt mee, dat de betrokkene aan art. 11, vierde lid, c.q. art. 19, vierde lid, WAHV geen aanspraak op inzage van dat rapport of verstrekking van een afschrift daarvan kan ontlenen, terwijl een zodanige aanspraak in het kader van de onderhavige procedure evenmin uit enige andere wettelijke bepaling voortvloeit (vgl. HR 27 oktober 1998, VR 1999, nr. 53). Ook uit het door de betrokkene vermelde arrest van de Hoge Raad d.d. 22 augustus 2000 (VR 2000, nr. 150) kan een dergelijke aanspraak niet worden afgeleid.

3.12. Het hof zal op grond van het vorenoverwogene de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.